ECLI:NL:CRVB:2005:AU2576
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Recht op WW-uitkering bij cyclisch arbeidspatroon en seizoenarbeid
Gedaagde werkte als stratenmaker bij Veenstra in een cyclisch arbeidspatroon met perioden van werken en niet-werken. Appellant, het UWV, ontzegde de WW-uitkering omdat op het moment van aanvraag geen arbeidsuren verloren waren. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende onderzoek naar het seizoenmatige karakter van het werk en het niet toepassen van de overgangsregeling.
In hoger beroep stelde appellant dat het werk het hele jaar door mogelijk was en dat de overgangsregeling niet op gedaagde van toepassing was omdat hij pas na 5 maart 2001 in dienst trad. Gedaagde betwistte dit en stelde dat het werk in de winter grotendeels stilligt, waardoor sprake is van seizoenarbeid en recht op WW-uitkering.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende onderzoek had gedaan naar het seizoenmatige karakter van het werk en dat de overgangsregeling inderdaad niet van toepassing was op gedaagde. Wel had appellant gedaagde moeten informeren over de aangescherpte regeling uit 2001. Het besluit werd vernietigd wegens schending van het rechtszekerheidsbeginsel en de proceskosten werden aan appellant opgelegd.
Uitkomst: Het bestreden besluit is vernietigd en appellant is veroordeeld in de proceskosten.