ECLI:NL:CRVB:2005:AU2729

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/3746 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenZiektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens gebrek aan belang bij ziekengeldtoekenning

Appellant heeft zich op 30 januari 2001 ziek gemeld en is op 6 februari 2001 op staande voet ontslagen. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), weigerde aanvankelijk ziekengeld toe te kennen wegens een vermeende benadelingshandeling. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Na vernietiging van het ontslag op staande voet door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch op 18 december 2002, stelde het Uwv op 1 november 2004 een nieuw besluit vast waarin de aanvraag van appellant om ziekengeld werd afgewezen omdat het dienstverband niet was beëindigd en doorbetaling van loon plaatsvond.

Appellants gemachtigde erkende de juistheid van dit nieuwe besluit en handhaafde het hoger beroep alleen voor een proceskostenveroordeling. De Raad concludeerde dat appellant geen belang meer had bij het hoger beroep en verklaarde dit niet-ontvankelijk. Tevens veroordeelde de Raad het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellant in eerste aanleg en hoger beroep, inclusief het betaalde griffierecht.

De uitspraak benadrukt het belang van het bestaan van een actueel belang bij het voeren van hoger beroep en bevestigt dat het ontbreken daarvan leidt tot niet-ontvankelijkheid. De proceskostenveroordeling weerspiegelt de erkenning van het onnodig gevoerde hoger beroep door appellant na het nieuwe besluit.

Uitkomst: Hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang; Uwv wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

02/3746 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij brief van 1 juni 2001 is appellant vanwege gedaagde in kennis gesteld van een besluit (het bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet.
De rechtbank Maastricht heeft bij uitspraak van 4 juni 2002 (AWB 01/909 ZW) het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. F.E.H.M. van Aken, advocaat te Geleen, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft bij brieven van 28 oktober 2002 en 13 januari 2003 van de zijde van appellant nadere informatie ontvangen.
Naar aanleiding van deze laatste informatie heeft gedaagde op 1 november 2004 ten aanzien van appellant een nieuw besluit ter uitvoering van de Ziektewet genomen en de Raad hiervan een kopie doen toekomen.
Partijen hebben de Raad toestemming gegeven het onderzoek ter zitting achterwege te laten.
II. MOTIVERING
Appellant, die zich op 30 januari 2001 bij zijn werkgever heeft ziek gemeld, is op
6 februari 2001 op staande voet ontslagen.
Bij besluit van 12 maart 2001 heeft gedaagde geweigerd aan appellant per
6 februari 2001 ziekengeld toe te kennen, omdat sprake zou zijn van een benadelingshandeling.
Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard.
Naar aanleiding van een door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch op 18 december 2002 gewezen arrest, waarbij het aan appellant op 6 februari 2001 gegeven ontslag op staande voet is vernietigd, heeft gedaagde op 1 november 2004 een nieuw besluit afgegeven. Daarbij is de aanvraag van appellant om toekenning van uitkering krachtens de Ziektewet per 6 februari 2001 afgewezen, omdat zijn dienstverband per die datum niet is beëindigd en hij recht heeft op doorbetaling van loon.
Appellants gemachtigde heeft bij brief van 29 december 2004 aan de Raad meegedeeld dat het nadere besluit van 1 november 2004 om hem niet in aanmerking te brengen voor ziekengeld correct is. Hij heeft bij deze brief de Raad verzocht een proceskostenveroordeling ten laste van het Uwv uit te spreken en het hoger beroep slechts in die zin nog gehandhaafd.
De Raad stelt gezien het vorenstaande vast dat appellant geen belang meer heeft bij handhaving van het hoger beroep, zodat hij hierin niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal
€ 966,-.
Mitsdien wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 109,23,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.C. Bruning en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 september 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
RG