ECLI:NL:CRVB:2005:AU2729
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C. Bruning
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens gebrek aan belang bij ziekengeldtoekenning
Appellant heeft zich op 30 januari 2001 ziek gemeld en is op 6 februari 2001 op staande voet ontslagen. Gedaagde, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), weigerde aanvankelijk ziekengeld toe te kennen wegens een vermeende benadelingshandeling. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Na vernietiging van het ontslag op staande voet door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch op 18 december 2002, stelde het Uwv op 1 november 2004 een nieuw besluit vast waarin de aanvraag van appellant om ziekengeld werd afgewezen omdat het dienstverband niet was beëindigd en doorbetaling van loon plaatsvond.
Appellants gemachtigde erkende de juistheid van dit nieuwe besluit en handhaafde het hoger beroep alleen voor een proceskostenveroordeling. De Raad concludeerde dat appellant geen belang meer had bij het hoger beroep en verklaarde dit niet-ontvankelijk. Tevens veroordeelde de Raad het Uwv tot vergoeding van de proceskosten van appellant in eerste aanleg en hoger beroep, inclusief het betaalde griffierecht.
De uitspraak benadrukt het belang van het bestaan van een actueel belang bij het voeren van hoger beroep en bevestigt dat het ontbreken daarvan leidt tot niet-ontvankelijkheid. De proceskostenveroordeling weerspiegelt de erkenning van het onnodig gevoerde hoger beroep door appellant na het nieuwe besluit.
Uitkomst: Hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang; Uwv wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.