ECLI:NL:CRVB:2005:AU2891
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- H.J. de Mooij
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet tijdig inleveren inkomstenverklaring
Appellant ontving een bijstandsuitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Gedaagde schortte het recht op bijstand op omdat appellant niet voldeed aan het verzoek om de inkomstenverklaring over december 2001 vóór 17 januari 2002 in te leveren. Na hersteltermijn werd het recht op bijstand ingetrokken met ingang van 1 december 2001.
Appellant voerde in bezwaar aan dat een ziekenhuisopname in Duitsland hem verhinderde de verklaring tijdig in te leveren en overlegde een medische verklaring. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij buiten staat was om de verklaring binnen de hersteltermijn in te dienen.
De Raad stelde vast dat appellant na ontslag uit het ziekenhuis op 17 januari 2002 direct naar huis ging en pas later voor nabehandelingen naar Duitsland reisde. Zelfs als appellant pas op 23 januari 2002 terugkeerde, was het nog mogelijk de verklaring tijdig in te leveren. Gezien de imperatieve wettelijke regeling was intrekking terecht en waren geen dringende redenen om hiervan af te zien. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd wegens het niet tijdig inleveren van de inkomstenverklaring zonder verschoonbare reden.