ECLI:NL:CRVB:2005:AU3050
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens loondoorbetalingsverplichting werkgever
Appellant, werknemer bij een Iraans bedrijf met Nederlandse vestiging, werd in 1999 op staande voet ontslagen nadat hij weigerde terug te keren naar Iran. Hij meldde zich ziek en vroeg ziekengeld aan bij het UWV, dat dit weigerde op grond van de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever volgens artikel 7:629 BW Pro en artikel 29 Ziektewet Pro.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en ook in hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overweegt dat ondanks de Iraanse rechtskeuze in de arbeidsovereenkomst, het Nederlandse dwingend arbeidsrecht en sociale zekerheidsrecht van toepassing zijn op de aanspraken onder de Ziektewet.
De Raad stelt dat de Ziektewet sinds 1996 als vangnet dient en de loondoorbetalingsverplichting van de werkgever volgens artikel 7:629 BW Pro integraal onderdeel is van het stelsel van inkomensbescherming. Daarom is het Nederlandse recht bindend voor de beoordeling van ziekengeld.
De Raad oordeelt dat appellant terecht geen ziekengeld ontvangt over de periode waarin de werkgever loondoorbetaling verschuldigd is. Tevens bevestigt de Raad de maatregelverlaging van ziekengeld wegens verwijtbare benadelingshandeling en de korting op de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld wegens loondoorbetalingsverplichting van de werkgever en toepassing van Nederlands dwingend arbeidsrecht.