ECLI:NL:CRVB:2005:AU3086
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen schorsing WW-uitkering wegens verblijf zonder vergunning
Appellant, met Turkse nationaliteit, verbleef sinds 1993 in Nederland zonder geldige verblijfsvergunning. Zijn aanvraag voor een vergunning werd in 1997 afgewezen en het administratief beroep daarop ongegrond verklaard. Na uitzetting keerde hij terug en werkte als werknemer, maar viel wegens ziekte uit. Vanaf 1999 ontving hij een WW-uitkering.
De rechtbank oordeelde in 2001 dat de aanvraag van appellant voor een verblijfsvergunning terecht was afgewezen. Op basis van de Koppelingswet besloot het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) de WW-uitkering vanaf 5 maart 2001 op te schorten en later definitief te beëindigen. Appellant stelde bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV ongegrond werd verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de herziening en intrekking van de uitkering niet-ontvankelijk omdat appellant bezwaar had moeten maken. Het beroep tegen de schorsing werd ongegrond verklaard. In hoger beroep betoogde appellant dat de rechtbank onjuiste feiten en wetgeving had toegepast en dat hij recht had op proceskostenvergoeding. De Raad oordeelt dat het intrekkingsbesluit onherroepelijk en onaantastbaar is, waardoor appellant geen procesbelang meer heeft bij het hoger beroep tegen de schorsing. Daarom wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de schorsing van de WW-uitkering wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.