ECLI:NL:CRVB:2005:AU3091
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- J. Riphagen
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WW-uitkering wegens te late aanvraag na beëindiging schoonmaakcontract
Gedaagde was werkzaam als schoonmaakster bij Multi Service, waarvan het contract per 1 september 1999 werd beëindigd en het werk overging naar Adrie Reerink v.o.f. Reerink was verplicht een arbeidsovereenkomst aan te bieden, maar gedaagde ontving geen nieuw contract. Zij diende haar aanvraag voor WW-uitkering pas op 5 december 2002 in, ruim na de wettelijke termijn.
Gedaagde stelde dat zij door een medewerker van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen was geadviseerd geen aanvraag te doen vanwege de duidelijke cao-bepaling. Zij probeerde eerst via de rechter loonbetaling af te dwingen, maar verloor deze procedure. De rechtbank oordeelde dat sprake was van een bijzonder geval en vernietigde het besluit tot weigering van de WW-uitkering.
De Raad stelde echter vast dat de termijnoverschrijding niet gerechtvaardigd was. Ondanks de mededeling van een medewerker had gedaagde al in september/oktober 1999 moeten aanvragen omdat toen duidelijk was dat Reerink niet bereid was haar te werk te stellen. Het afwachten van de rechterlijke procedure was geen bijzonder geval. De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep op de WW-uitkering wordt afgewezen wegens te late aanvraag zonder dat sprake is van een bijzonder geval.