ECLI:NL:CRVB:2005:AU3215
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beschikbaarheid voor arbeid en recht op WW-uitkering bij deeltijdwerk en dienstverband
Appellant was sinds 15 mei 1997 werkzaam voor 10 uur per week in WSW-verband bij Multibedrijven en vanaf 1 maart 1999 als universitair docent aan de Rijksuniversiteit Leiden. Na beëindiging van het dienstverband bij Multibedrijven per 17 april 2000 vroeg appellant een WW-uitkering aan, die werd geweigerd omdat hij niet beschikbaar zou zijn voor arbeid volgens artikel 16 van Pro de WW.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat hij zich niet beschikbaar had gesteld voor arbeid per 1 april 1999. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel degelijk beschikbaar was, hetgeen onvoldoende werd meegewogen door de rechtbank.
De Raad oordeelt dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is en dat appellant zich wel beschikbaar stelde voor arbeid, mede gelet op zijn deeltijdwerk als universitair docent. De omvang van beschikbaarheid speelt geen rol, zodat het oordeel van niet-beschikbaarheid geen feitelijke grondslag heeft.
Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en beveelt een nieuw besluit. Tevens veroordeelt de Raad het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd omdat appellant zich wel beschikbaar stelde voor arbeid.