Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AU3513

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/5830 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:15 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken bezwaar tegen ziekengeldbesluit

Appellant werkte vanaf september 2002 als productiemedewerker en meldde zich in november 2002 ziek wegens psychische klachten. Een verzekeringsarts verklaarde hem in december 2002 niet arbeidsongeschikt, waarna gedaagde het recht op ziekengeld weigerde. Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank vernietigde dit besluit deels en verklaarde appellant niet-ontvankelijk in het bezwaar van februari 2003 tegen een hersteldverklaring van januari 2003.

Het hoger beroep richt zich tegen deze niet-ontvankelijkheidsverklaring. De Raad oordeelt dat de hersteldverklaring geen besluit is in de zin van de Awb, omdat deze geen definitieve beslissing over het recht op ziekengeld bevat. Het besluit van maart 2003 is het enige besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Het inleidend beroepschrift moet daarom worden doorgezonden als bezwaarschrift.

De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze het bezwaar van februari 2003 behandelt, verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk en veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroepschrift wordt als bezwaarschrift doorgezonden.

Uitspraak

03/5830 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Haarlem op 17 oktober 2003 tussen partijen gewezen uitspraak (Awb 03-512 ZW).
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 10 augustus 2005, waar appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Fischer voornoemd en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J. Damaska, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
II. MOTIVERING
Appellant is op 3 september 2002 via een uitzendbureau als productiemedewerker gaan werken bij een lijmfabriek. Op 25 november 2002 heeft hij zich wegens psychische klachten ziek gemeld. Op 11 december 2002 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts die hem niet arbeidsongeschikt achtte. Bij besluit van 11 december 2002 is aan appellant dienovereenkomstig met ingang van 25 november 2002 geen ziekengeld toegekend. Tegen dit besluit is op 20 december 2002 bezwaar gemaakt.
Appellant heeft zijn werk op 12 december 2002 hervat, maar is op deze dag bij zijn terugkeer naar huis van zijn fiets gevallen en heeft daarbij een kneuzing van de linkerarm opgelopen. Naar aanleiding hiervan heeft hij zich op 13 december 2002 opnieuw ziek gemeld.
Terzake van dit ziektegeval heeft appellant op 20 januari 2003 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts, die hem met ingang van 23 januari 2003 niet langer ongeschikt achtte tot het verrichten van zijn werk. Dit is neergelegd in een op 20 januari 2003 door de verzekeringsarts ondertekende “hersteldverklaring”, waarbij is meegedeeld dat appellant nog een officiële beslissing zou ontvangen waarin onder andere de mogelijkheid tot het instellen van bezwaar stond beschreven.
Appellants gemachtigde heeft bij brief van 7 februari 2003 tegen die hersteldverklaring bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 17 maart 2003 (het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd, voorzover daarbij is besloten op het bezwaarschrift van 7 februari 2003 en appellant alsnog niet-ontvankelijk verklaard in dit bezwaar. Het hoger beroep is slechts gericht tegen dit onderdeel van de aangevallen uitspraak.
Aan het oordeel van de rechtbank ligt ten grondslag de overweging dat de hersteldverklaring van 20 januari 2003 moet worden aangemerkt als een op rechtsgevolg gericht besluit waartegen bezwaar kon worden gemaakt. Het bezwaarschrift van
7 februari 2003 is naar het oordeel van de rechtbank echter niet binnen de hier geldende termijn van twee weken ingediend, zodat gedaagde het bezwaar ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard.
De Raad kan zich met dat oordeel van de rechtbank niet verenigen. In overeenstemming met zijn jurisprudentie – zie de uitspraak van 10 december 1997, USZ 1998, nr. 21 – is de Raad van oordeel dat de hersteldverklaring van 20 januari 2003 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Weliswaar bevat deze hersteldverklaring de stellige mededeling dat appellant vanaf 23 januari 2003 niet arbeidsongeschikt werd geacht, maar met deze mededeling is nog geen beslissing omtrent het recht op ziekengeld genomen. Dat appellant ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift mogelijkerwijs in de veronderstelling heeft verkeerd dat die beslissing wel reeds tot stand was gekomen, kan hieraan niet afdoen.
Een beslissing omtrent het recht op ziekengeld is eerst vervat in het besluit van
17 maart 2003.
Dit besluit moet derhalve worden aangemerkt als een besluit, waartegen op grond van artikel 7:1 van Pro de Awb eerst bezwaar moest worden gemaakt bij gedaagde alvorens beroep bij de rechter kon worden ingesteld.
Het inleidend beroepschrift van 21 maart 2003 moet onder deze omstandigheden met toepassing van het bepaalde in artikel 6:15, eerste lid, van de Awb ter behandeling als bezwaarschrift worden doorgezonden naar gedaagde.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, niet in stand kan blijven en dat het inleidend beroep inzoverre alsnog niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Verklaart het inleidend beroep inzoverre niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat het beroepschrift van 21 maart 2003 wordt doorgezonden naar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,- , te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het betaalde griffierecht van € 87,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 september 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M. Gunter.
Gw