ECLI:NL:CRVB:2005:AU3513
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken bezwaar tegen ziekengeldbesluit
Appellant werkte vanaf september 2002 als productiemedewerker en meldde zich in november 2002 ziek wegens psychische klachten. Een verzekeringsarts verklaarde hem in december 2002 niet arbeidsongeschikt, waarna gedaagde het recht op ziekengeld weigerde. Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank vernietigde dit besluit deels en verklaarde appellant niet-ontvankelijk in het bezwaar van februari 2003 tegen een hersteldverklaring van januari 2003.
Het hoger beroep richt zich tegen deze niet-ontvankelijkheidsverklaring. De Raad oordeelt dat de hersteldverklaring geen besluit is in de zin van de Awb, omdat deze geen definitieve beslissing over het recht op ziekengeld bevat. Het besluit van maart 2003 is het enige besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Het inleidend beroepschrift moet daarom worden doorgezonden als bezwaarschrift.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze het bezwaar van februari 2003 behandelt, verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk en veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroepschrift wordt als bezwaarschrift doorgezonden.