ECLI:NL:CRVB:2005:AU3928
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.W.J. Schoor
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens arbeidsongeschiktheid en geschiktheid voor arbeid
Appellant, voormalig machine-operator, viel uit met rug- en psychische klachten en kreeg per 8 juni 2001 een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Hij werkte tijdelijk als chauffeur/magazijnmedewerker en meldde zich ziek voor de uren waarop hij WW-uitkering ontving. Gedaagde weigerde verdere ziekengelduitkering per 30 januari 2002 en 15 april 2002 omdat appellant niet meer ongeschikt was voor arbeid.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging. De Raad oordeelde dat de medische situatie van appellant niet wezenlijk was veranderd sinds 8 juni 2001 en dat hij in staat was de passende arbeid te verrichten, waaronder functies als meubelspuiter, wikkelaar en metaalperser-bediende, naast zijn werk als chauffeur/magazijnmedewerker.
De Raad vond de arbeidskundige rapportage overtuigend en zag geen aanleiding tot aanvullend neuroloogonderzoek. De mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% werd bevestigd. De weigering van ziekengelduitkering werd daarmee terecht gegrond verklaard. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengelduitkering wegens het ontbreken van ongeschiktheid voor arbeid.