ECLI:NL:CRVB:2005:AU3931
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- Ch. van Voorst
- C.W.J. Schoor
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing ziekengeld op grond van Ziektewet na beoordeling arbeidsgeschiktheid
Appellante, die wegens lichamelijke en psychische klachten langdurig arbeidsongeschikt was, ontving tot 24 januari 2000 een WAO-uitkering die later werd ingetrokken na medisch en arbeidskundig onderzoek. Op 11 november 2002 meldde zij zich ziek terwijl zij een werkloosheidsuitkering ontving, waardoor zij aanspraak maakte op ziekengeld op grond van de Ziektewet.
Na verschillende oproepen verscheen appellante op 4 februari 2003 bij een verzekeringsarts, die concludeerde dat zij geen medische afwijkingen had die haar ongeschikt maakten voor de eerder als passend aangemerkte functies. Ook een bezwaarverzekeringsarts bevestigde dit standpunt. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit om het ziekengeld te beëindigen ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en onderschrijft dat de maatstaf voor arbeid de functies zijn die in 1999 als passend werden aangemerkt. Ondanks klachten in september 2003 acht de Raad appellante op objectieve medische gronden niet ongeschikt voor deze functies. Het besluit tot beëindiging van het ziekengeld is genomen binnen de kaders van de Ziektewet, en aanspraken op WAO-uitkering kunnen in dit kader niet worden betrokken.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft gehandhaafd.