ECLI:NL:CRVB:2005:AU4077

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 augustus 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/1586 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verwijtbaarheid werkloosheid na verhuizing wegens woningverlies

Gedaagde nam ontslag bij Cygnific BV omdat zij gedwongen was te verhuizen na het verlies van haar onderhuurwoning in Amsterdam door sloop. De WW-uitkering werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid, omdat de onvermijdelijkheid van de verhuizing niet was vastgesteld.

De rechtbank oordeelde dat hoewel gedaagde verwijtbaar werkloos was geworden, dit niet in overwegende mate aan haar kon worden toegerekend gezien haar dringende noodzaak tot verhuizing en haar inspanningen om woonruimte te vinden. In hoger beroep handhaafde appellant het standpunt dat gedaagde voldoende tijd had gehad om passende woonruimte te vinden en zichzelf in een moeilijke positie had gebracht door langdurig onderhuur zonder huurbescherming.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Raad vond dat de abrupte noodzaak tot vertrek, de moeilijke woningmarkt, de inspanningen van gedaagde en de afspraken met haar werkgever over voortzetting van het dienstverband meebrachten dat de werkloosheid niet in overwegende mate aan haar kon worden verweten. De Raad kende geen bijzondere betekenis toe aan het feit dat gedaagde in onderhuur woonde. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het beroep van appellant werd afgewezen.

Uitkomst: De werkloosheid van gedaagde wordt niet in overwegende mate aan haar verweten, waardoor de weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd.

Uitspraak

04/1586 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft bij beroepschrift van 23 maart 2004 hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht op 12 maart 2004, nr. AWB 03/1334 WW SEE, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft geen verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 20 juli 2005, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door A.M.C. Crombach, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, en waar gedaagde in persoon is verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Gedaagde heeft per 1 april 2003 ontslag genomen uit haar betrekking bij Cygnific BV te Amsterdam omdat zij zich genoodzaakt zag naar [woonplaats] te verhuizen ten gevolge van het feit dat zij uit haar woning (in onderhuur) werd gezet in Amsterdam en aldaar geen vervangende woonruimte kon vinden.
Bij besluit van 14 mei 2003 heeft appellant de door gedaagde aangevraagde WW-uitkering blijvend geheel geweigerd op de grond dat zij verwijtbaar werkloos is aangezien de onvermijdelijkheid van haar verhuizing niet is komen vast te staan.
Na bezwaar heeft appellant dit standpunt gehandhaafd en het thans bestreden besluit van 18 augustus 2003 genomen.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Zij heeft daarbij overwogen dat de onvermijdelijkheid van gedaagdes verhuizing naar [woonplaats] onvoldoende is komen vast te staan en dat gedaagde derhalve verwijtbaar werkloos is geworden. Naar het oordeel van de rechtbank is de ontstane werkloosheid gedaagde evenwel niet in overwegende mate te verwijten, nu gebleken is dat zij op zeer korte termijn vervangende woonruimte diende te zoeken en zij wel degelijk aanzienlijke moeite heeft gedaan om zowel in Amsterdam als daarbuiten woonruimte te vinden.
In hoger beroep heeft appellant onder meer aangevoerd dat gedaagde zichzelf in een moeilijke situatie heeft gemanoeuvreerd door zeer aanzienlijke tijd genoegen te nemen met woonruimte die geen huurbescherming bood en dat zij sedert haar indiensttreding op 1 augustus bij Cygnific BV voldoende tijd heeft gehad om passende woonruimte in Amsterdam en omgeving te vinden.
Gedaagde heeft ter zitting aangevoerd dat het bericht dat zij het pand waar zij in onderhuur woonde moest verlaten omdat het gesloopt werd voor haar volstrekt onverwacht kwam en dat zij onmiddellijk alles in het werk heeft gesteld om in Amsterdam en de bereisbare omgeving daarvan, met name Almere, vervangende woonruimte te vinden. Voorts heeft zij verklaard al twee jaar ingeschreven te staan bij een woningvereniging en dat zij met haar werkgever had afgesproken dat haar ontslagname als niet gedaan zou worden beschouwd als zij voor 1 april 2003 alsnog woonruimte in Amsterdam of omgeving zou vinden.
Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Gelet op de in hoger beroep betrokken standpunten is tussen partijen niet in geschil dat de werkloosheid van gedaagde die is ontstaan door ontslag te nemen in verband met haar verhuizing van Amsterdam naar [woonplaats] verwijtbaar is in de zin van artikel 24 van Pro de WW. Het hoger beroep is beperkt tot de vraag of deze werkloosheid gedaagde in overwegende mate kan worden verweten.
Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van de Raad heeft gedaagde het bericht dat zij haar woning per 1 april 2003 in verband met sloop diende te verlaten niet kunnen zien aankomen. Zij woonde daar al drie jaar in onderhuur hetgeen niet ongebruikelijk is in een stad als Amsterdam. Voorts stond zij al twee jaar ingeschreven bij een woningvereniging en is zij, nadat zij van de sloop van haar woning in kennis was gesteld, onmiddellijk op zoek gegaan naar andere woonruimte, zowel in Amsterdam als in de naaste omgeving, waarbij zij beperkingen ondervond omdat zij op het openbaar vervoer was aangewezen en bij haar werkgever in wisselende diensten werkte. Ook tijdelijk onderdak bij vrienden of collega’s is niet mogelijk gebleken. Toen zij eind februari 2003 nog geen uitzicht had op vervangende woonruimte heeft zij haar baan tegen 1 april 2003 opgezegd en met haar werkgever afgesproken dat deze opzegging als niet gedaan zou worden beschouwd als zij nog voor 1 april 2003 in haar huisvesting in Amsterdam of omgeving zou kunnen voorzien.
De Raad concludeert dat onder voormelde omstandigheden de werkloosheid van gedaagde haar, gelet op de abrupte noodzaak om haar woonruimte, waar zij jaren ongestoord heeft kunnen wonen, de moeilijke woningmarkt in Amsterdam, haar aanzienlijke inspanningen om tijdig andere woonruimte te krijgen en haar afspraken met haar werkgever over de mogelijke voortzetting van haar dienstverband na 1 april 2003, niet in overwegende mate kan worden verweten. Aan de omstandigheid dat gedaagde in onderhuur woonde, kan de Raad vanuit een oogpunt van toepassing van de WW, alsmede gelet op het geheel van de omstandigheden, niet die betekenis toekennen die appellant daaraan gehecht wil zien. De grieven van appellant kunnen derhalve niet slagen, zodat moet worden beslist als hieronder is vermeld.
De Raad ziet geen termen om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. J. Riphagen en mr. R.P.Th. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2005.
(get.) H. Bolt.
(get.) L. Karssenberg.
BdH 228