ECLI:NL:CRVB:2005:AU4243
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.H.M. Roelofs
- S.W. van Osch-Leysma
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onredelijke termijn bezwaar tegen niet tijdig beslissen bijstandsuitkering
Appellant diende op 8 mei 2000 een aanvraag in voor een bijstandsuitkering. Gedaagde besloot deze aanvraag op 9 juni 2000 niet te behandelen. Na diverse correspondentie en een besluit van 4 april 2001 waarbij bijstand werd toegekend met ingang van 21 maart 2001, maakte appellant pas op 16 juli 2004 bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op zijn oorspronkelijke aanvraag van 14 juli 2000.
De rechtbank verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk wegens onredelijke termijnoverschrijding. Appellant voerde aan dat er wel communicatie was geweest over de aanvraag, maar de Raad oordeelde dat appellant na het besluit van 4 april 2001 had moeten begrijpen dat er mogelijk geen besluit meer zou volgen op de aanvraag van 14 juli 2000 en binnen redelijke termijn had moeten reageren.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het bezwaar onredelijk laat was ingediend en dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het niet tijdig beslissen op de bijstandsaanvraag is onredelijk laat ingediend en daarom niet-ontvankelijk verklaard.