ECLI:NL:CRVB:2008:BC1827
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- B.M. van Dun
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen niet tijdig besluit WW-uitkering
Appellante heeft op 1 februari 2002 een aanvraag gedaan voor een WW-uitkering. Het UWV heeft daarop niet tijdig een besluit genomen, wat pas in 2006 aan het licht kwam na dossieronderzoek door haar gemachtigde.
In maart 2006 maakte appellante bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing, maar het UWV verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk wegens te late indiening. De rechtbank Rotterdam bevestigde dit oordeel en oordeelde dat appellante binnen een redelijke termijn na het besluit van mei 2003 had moeten reageren.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij pas in 2006 wist dat er geen besluit was genomen en dat het UWV onderzoek moest doen alvorens te beslissen. De Raad oordeelde echter dat dit geen ander oordeel rechtvaardigt en bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring. Het belang van appellante bij een besluit was niet relevant voor de ontvankelijkheid van het bezwaar.
De Raad benadrukte dat de vraag uitsluitend ging over de ontvankelijkheid van het bezwaar wegens te late indiening en niet over de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag of het beleid van het UWV.
De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de WW-aanvraag is onredelijk laat ingediend en daarom niet-ontvankelijk verklaard.