ECLI:NL:CRVB:2005:AU4507
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.W.J. Schoor
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering AAW- en Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, die op jonge leeftijd ernstige brandwonden opliep, vroeg om toekenning van een AAW-uitkering als jeugdgehandicapte en een Wajong-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid per 1 juni 1997. De uitkeringen werden geweigerd omdat zij op de peildata niet voldeed aan de criteria van arbeidsongeschiktheid zoals die golden onder de destijds geldende AAW-regelgeving.
De Raad overwoog dat aanspraken beoordeeld moeten worden naar de regelgeving van het moment waarop de aanspraak betrekking heeft. Appellante had tussen 1976 en 1981 gewerkt, waardoor zij bij het bereiken van de wachttijd in 1977 niet als arbeidsongeschikt in de zin van de AAW kon worden beschouwd. Ook de weigering van de Wajong-uitkering werd gerechtvaardigd omdat de Wajong-regelgeving inhoudelijk overeenkomt met de AAW-bepalingen.
Medische en arbeidskundige rapporten bevestigden dat appellante op 17-jarige leeftijd lichamelijke beperkingen had, maar dat deze niet tot een arbeidsongeschiktheid van meer dan 25% leidden. Psychische achteruitgang na juni 1997 veranderde dit niet substantieel. De Raad concludeerde dat de besluiten van het UWV terecht waren en bevestigde het bestreden vonnis.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de AAW- en Wajong-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.