ECLI:NL:CRVB:2005:AU4786
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen beëindiging WAJONG-uitkering wegens terugkeer uit buitenland
Appellante had een WAJONG-uitkering die per 1 januari 2003 beëindigd zou worden vanwege haar verhuizing naar Duitsland. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante niet-ontvankelijk omdat zij sinds die datum weer in Nederland woonde, waardoor het belang bij het beroep was komen te vervallen. De uitkering werd de facto voortgezet zonder onderbreking.
Appellante voerde aan dat zij door wetgeving gedwongen was terug te keren en dat zij inhoudelijk wilde opkomen tegen de intrekking van haar uitkering bij verblijf in het buitenland. Tevens verwees zij naar nieuwe beleidsregels die een anticiperende beslissing mogelijk maken bij vestiging in het buitenland. De Raad oordeelde echter dat appellante op het moment van beoordeling niet meer in het buitenland woonde en dat het beroep daarom terecht niet-ontvankelijk werd verklaard.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees de bezwaren van appellante af. Er was geen sprake van een relevant procesbelang omdat het bestreden besluit alleen zag op de situatie per 1 januari 2003. Appellante kan in de toekomst bij een eventuele nieuwe vestiging in het buitenland een nieuwe beslissing vragen die zij kan aanvechten.
De uitspraak werd gedaan door voorzitter Spaas en leden Schuttel en Schoor, en uitgesproken op 18 oktober 2005.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen de beëindiging van haar WAJONG-uitkering is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.