ECLI:NL:CRVB:2005:AU4817
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Herziening nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht en terugvordering
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW), die deels inkomensafhankelijk werd vanaf 1 januari 1998. Gedaagde herzag de uitkering met terugwerkende kracht naar aanleiding van opgegeven inkomsten en gegevens van de Belastingdienst, wat leidde tot een terugvordering van een te veel ontvangen bedrag.
Appellante maakte bezwaar tegen de herziening en de terugvordering, evenals tegen de afwijzing van haar verzoek om vergoeding van gemaakte kosten. De rechtbank beval gedaagde een beslissing te nemen op het bezwaar, waarna gedaagde het bezwaar ongegrond verklaarde maar afzag van een beslissing over de terugvordering.
De Raad oordeelt dat de herziening van de uitkering vanaf 1 januari 1998 juist is berekend, maar dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid omdat niet is beoordeeld of sprake is van kennelijke onredelijkheid bij terugwerkende kracht. Appellante had redelijkerwijs kunnen begrijpen dat de uitkering te hoog was vastgesteld gezien haar wisselende inkomsten.
De Raad bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit moet nemen waarbij het beleid omtrent terugwerkende herziening en het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel zorgvuldig worden toegepast. Tevens veroordeelt de Raad gedaagde in de proceskosten van appellante en wijst vergoeding van het betaalde recht toe.
Uitkomst: Het besluit tot herziening van de nabestaandenuitkering met terugwerkende kracht wordt vernietigd en gedaagde moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van kennelijke onredelijkheid.