ECLI:NL:CRVB:2005:AU4831
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. ’t Hooft
- R.M. van Male
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding endoscopische cervicale hernia-operatie wegens gebrek aan medische gebruikelijkheid
Appellante, verzekerde op grond van de Ziekenfondswet, verzocht om vergoeding van kosten voor een endoscopische cervicale hernia-operatie in een Duitse kliniek. Gedaagde wees dit verzoek af omdat de behandeling volgens het College voor Zorgverzekeringen (CvZ) experimenteel is en niet gebruikelijk in de beroepsgroep.
De Raad toetste of de endoscopische operatie als gebruikelijke geneeskundige hulp kan worden aangemerkt. Uit literatuuronderzoeken van het CvZ bleek dat er onvoldoende wetenschappelijke onderbouwing was over peri-operatieve complicaties en lange termijnresultaten, waardoor de behandeling niet als gebruikelijk kon worden beschouwd.
Appellante voerde aan dat de operatie een methodologische variant is van een erkende behandeling, maar de Raad oordeelde dat het een zelfstandige ingreep betreft waarvoor de gebruikelijkheid apart moet worden vastgesteld. Het hoger beroep faalde, mede omdat de medische noodzaak niet tot vergoeding leidt als de behandeling niet gebruikelijk is.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees de vergoeding af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is in lijn met het arrest van het Hof van Justitie (C-157/99) dat stelt dat alleen wetenschappelijk voldoende beproefde en erkende behandelingen aanspraak maken op vergoeding.
Uitkomst: De vergoeding voor de endoscopische cervicale hernia-operatie wordt afgewezen omdat de behandeling niet gebruikelijk is volgens de Ziekenfondswet.