ECLI:NL:CRVB:2005:AU5096
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering bijzondere bijstand voor huishoudelijke hulp wegens niet direct beschikbare voorliggende voorziening
Appellant raakte op 1 augustus 2003 gewond en had voor zijn verzorging particuliere huishoudelijke hulp nodig. Hij vroeg bijzondere bijstand aan, maar deze werd geweigerd omdat er een voorliggende voorziening bestond in de vorm van Thuiszorg. Na indicatiestelling kreeg appellant een persoonsgebonden budget voor huishoudelijke hulp vanaf 22 september 2003.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat Thuiszorg een toereikende voorliggende voorziening was en dat geen dringende redenen bestonden om hiervan af te wijken. Appellant stelde in hoger beroep dat hij direct na het ongeval hulp nodig had en dat de indicatiestelling een periode van zes tot acht weken in beslag nam.
De Raad oordeelde dat niet vaststaat dat huishoudelijke hulp van Thuiszorg direct na het ongeval feitelijk beschikbaar was. Gedaagde had onvoldoende onderzoek gedaan naar de indicatiestelling en beschikbaarheid. Daarom kon Thuiszorg in die periode niet als toereikende voorliggende voorziening worden beschouwd. Het bestreden besluit werd vernietigd en gedaagde werd opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens werd gedaagde veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van bijzondere bijstand wordt vernietigd omdat Thuiszorg niet direct beschikbaar was na het ongeval.