ECLI:NL:CRVB:2005:AU5164
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Blijvende weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na beëindiging arbeidsovereenkomst
Appellant beëindigde zijn arbeidsovereenkomst per 1 februari 2003 vanwege een ernstig verstoorde arbeidsrelatie bij zijn werkgever, een advocatenkantoor. Hij was in onderhandeling over een nieuwe arbeidsovereenkomst met Consul International Partners te Monaco, maar deze werd uiteindelijk niet gesloten vanwege financiële problemen bij Consul.
De uitkeringsinstantie weigerde de WW-uitkering op grond van verwijtbare werkloosheid, omdat appellant zonder voldoende reden zijn dienstverband had beëindigd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij alles had gedaan om werkloosheid te voorkomen en dat er al een mondelinge arbeidsovereenkomst met Consul was.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er een geldige arbeidsovereenkomst met Consul bestond vóór beëindiging van zijn dienstverband. Ook was onvoldoende onderbouwd dat de situatie bij zijn werkgever zo onhoudbaar was dat onmiddellijke beëindiging noodzakelijk was. De Raad vernietigde het bestreden besluit vanwege een onjuiste grondslag, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens werd appellant het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en het griffierecht wordt aan appellant vergoed.