ECLI:NL:CRVB:2005:AU5168
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvullende WW-uitkering wegens niet voldoen aan referte-eis
Appellante was sinds 1 januari 2001 in dienst bij BTA Holding BV, maar werd per 1 juli 2001 ontslagen wegens bedrijfseconomische redenen. Haar aanvraag voor een WW-uitkering werd toen afgewezen omdat zij niet als werkloos werd beschouwd, aangezien er geen ontslagvergunning was afgegeven en zij recht had op doorbetaling van loon.
Vervolgens trad appellante op 1 januari 2002 in dienst bij B&A Loopbaanconsulting & Mobiliteitsprojecten voor bepaalde tijd, waarvan het contract op 31 juli 2002 eindigde. Zij werd arbeidsongeschikt op 23 april 2002 en kreeg vanaf 24 april 2003 een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend. Haar aanvraag voor een aanvullende WW-uitkering werd op 27 mei 2003 afgewezen omdat zij in de 39 weken voorafgaand aan de werkloosheid niet in ten minste 26 weken arbeid als werknemer had verricht, zoals vereist volgens artikel 17 WW Pro.
De Raad overweegt dat de werkzaamheden die appellante na 1 juli 2001 zou hebben verricht niet als arbeid als werknemer kunnen worden aangemerkt. Appellante had op haar WW-aanvraagformulier aangegeven in die periode als zelfstandige te hebben gewerkt, wat werd bevestigd door een telefoonrapport. Verder is vastgesteld dat zij geen aanvraag voor een WW-uitkering per 1 juli 2001 had ingediend en dat het recht op die uitkering niet kan herleven.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het vonnis van de rechtbank Arnhem en verklaart het beroep ongegrond. Er worden geen proceskosten toegewezen. De Raad sluit aan bij de overwegingen van de rechtbank en oordeelt dat de afwijzing terecht is.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor een aanvullende WW-uitkering wordt bevestigd omdat appellante niet voldeed aan de referte-eis van artikel 17 WW.