ECLI:NL:CRVB:2005:AU5220
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde WAO-voorschotten zonder dringende redenen
Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering van onverschuldigd betaalde voorschotten over de periode van 22 juni 2001 tot en met 31 mei 2002, ten bedrage van € 10.088,16, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en ook in hoger beroep werd dit standpunt bevestigd.
De Raad stelde vast dat appellant het bezwaar tegen het eerdere besluit, waarbij werd vastgesteld dat hij geen recht had op WAO-uitkering na 21 juni 2001, had ingetrokken. Hierdoor stond vast dat de voorschotten onverschuldigd waren betaald. Op grond van artikel 57 van Pro de WAO is terugvordering verplicht, tenzij dringende redenen zich voordoen om hiervan af te zien.
Appellant voerde aan dat de lange duur van de beoordeling van zijn WAO-aanvraag een dringende reden vormde om van terugvordering af te zien. De Raad oordeelde echter dat dit op zichzelf geen dringende reden is. Er was geen sprake van een noodsituatie of een uitzonderlijke situatie die toepassing van de terugvordering zou uitsluiten.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht om de terugvordering te matigen of te schorsen.
Uitkomst: De terugvordering van onverschuldigd betaalde WAO-voorschotten wordt bevestigd omdat geen dringende redenen zijn aangetoond om hiervan af te zien.