ECLI:NL:CRVB:2005:AU5230
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen WAO-besluiten na herziening arbeidsongeschiktheid
Appellant stelde hoger beroep in tegen besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) die zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO herzien en verlaagd hadden van 80-100% naar 25-35%. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard. Later besloot het Uwv de uitkering weer ongewijzigd voort te zetten op 80-100%, waarmee de eerdere besluiten niet langer werden gehandhaafd.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat in een dergelijk geval het belang bij een beoordeling van de eerdere besluiten in principe is komen te vervallen, tenzij er een vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb Pro is ingesteld, wat hier niet het geval was. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De Raad zag geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten, maar bepaalde wel dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed. Partijen waren op de zitting niet verschenen. De uitspraak werd gedaan op 28 oktober 2005.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het betaalde griffierecht wordt aan appellant vergoed.