Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AU5230

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/3341 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen WAO-besluiten na herziening arbeidsongeschiktheid

Appellant stelde hoger beroep in tegen besluiten van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) die zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO herzien en verlaagd hadden van 80-100% naar 25-35%. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard. Later besloot het Uwv de uitkering weer ongewijzigd voort te zetten op 80-100%, waarmee de eerdere besluiten niet langer werden gehandhaafd.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat in een dergelijk geval het belang bij een beoordeling van de eerdere besluiten in principe is komen te vervallen, tenzij er een vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb Pro is ingesteld, wat hier niet het geval was. Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk.

De Raad zag geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten, maar bepaalde wel dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed. Partijen waren op de zitting niet verschenen. De uitspraak werd gedaan op 28 oktober 2005.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het betaalde griffierecht wordt aan appellant vergoed.

Uitspraak

03/3341 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Portugal), appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 mei 2003, nummer 02/1091 WAO, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 26 mei 2005 heeft gedaagde vragen beantwoord.
Op 25 augustus 2005 heeft gedaagde de Raad een nader stuk doen toekomen.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op
16 september 2005, waar partijen – gedaagde met voorafgaand bericht – niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 24 oktober 2000 heeft gedaagde appellant medegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 30 januari 2000 werd herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschikt-heid van 25 tot 35%. Bij besluit van 21 december 2000 heeft gedaagde appellant bericht dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid onveranderd wordt vastgesteld op 25 tot 35%.
Bij beslissingen op bezwaar van 30 maart 2001 heeft gedaagde zijn besluiten van 24 oktober 2000 en 21 december 2000 gehandhaafd. De rechtbank heeft appellants beroep tegen deze beslissingen op bezwaar ongegrond verklaard.
Op 25 augustus 2005 heeft gedaagde de Raad bericht appellants uitkering vanaf 7 november 2000 ongewijzigd voort te zetten naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op dezelfde datum is een besluit daaromtrent aan appellant bekend gemaakt.
Uit gedaagdes besluit van 25 augustus 2005 blijkt dat de besluiten op bezwaar van 30 maart 2001 niet worden gehandhaafd. Uit 's Raads uitspraak van 4 februari 1997, gepubliceerd in RSV 1997/297, volgt dat in zo'n geval belang bij een beoordeling van deze besluiten in principe is komen te vervallen, tenzij van zo'n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Van een dergelijke vordering is niet gebleken. De Raad zal appellants hoger beroep derhalve niet-ontvankelijk verklaren.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb, nu geen proceskosten zijn gevorderd en van ambtshalve voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.
De Raad ziet aanleiding te bepalen dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht geheel vergoedt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 114,23 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M. Gunter.
BKH