ECLI:NL:CRVB:2005:AU5417
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- C. van Viegen
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op Anw-uitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1 januari 1997 een Anw-uitkering. Naar aanleiding van een anonieme tip startte de Sociale verzekeringsbank een onderzoek naar haar leefsituatie. Dit leidde tot het besluit van 17 december 2001 om de uitkering met terugwerkende kracht vanaf 31 oktober 1998 in te trekken wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met haar partner.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante tegen dit besluit gegrond, onder meer vanwege onvoldoende motivering over de duur van het onderzoek. Gedaagde nam daarop een nieuw besluit op bezwaar (28 januari 2004), dat opnieuw werd bestreden. De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het nieuwe besluit in de plaats is gekomen van het eerdere.
De Raad oordeelt dat appellante en haar partner een gezamenlijke huishouding voerden, waarbij zij hun hoofdverblijf deelden en zorg droegen voor elkaar, onder meer door gezamenlijke eigendom en kosten van een huis in Frankrijk, een gezamenlijke bankrekening en het delen van huishoudelijke taken. De Raad acht de intrekking met terugwerkende kracht terecht, ondanks de kritiek op de duur van het onderzoek, omdat appellante haar inlichtingenplicht schond door het niet melden van de gewijzigde woonsituatie.
De Raad wijst het beroep tegen het besluit van 28 januari 2004 af en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De strafrechtelijke vrijspraak van appellante wegens schending van artikel 35 van Pro de Anw doet aan dit oordeel niet af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 28 januari 2004 wordt ongegrond verklaard.