ECLI:NL:CRVB:2005:AU5491
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- L. Jörg
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde bijstandsuitkering bij schending inlichtingenverplichting
Appellante en haar toenmalige echtgenoot ontvingen bijstand over de periode van november 1999 tot februari 2001. Na een controle-onderzoek bleek dat appellante naast de bijstand ook andere uitkeringen ontving, waaronder werkloosheidsuitkering, ziekengeld en WAO-uitkering, zonder dit aan de gemeente te melden. Hierdoor werd het recht op bijstand herzien en werd een bedrag van €14.116,57 teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen de terugvordering ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat alleen haar echtgenoot aansprakelijk zou moeten zijn, omdat hij zonder haar medeweten de bijstand had aangevraagd en zij niet op de hoogte was van de ontvangst.
De Raad oordeelt dat op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) beide partners hoofdelijk aansprakelijk zijn voor terugbetaling wanneer de bijstand is verleend met toepassing van artikel 13, tweede lid, Abw. Onbekendheid met de aanvraag of ontvangst van bijstand door een van de partners ontslaat hen niet van deze aansprakelijkheid. De Raad bevestigt daarom het besluit tot terugvordering en wijst het hoger beroep af.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van de onverschuldigde bijstand wordt bevestigd.