AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verzet tegen niet-ontvankelijkheidsverklaring hoger beroep wegens ontbreken machtiging
Opposant heeft namens betrokkene hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat opposant geen geldige machtiging overlegde en tevens geen gronden van het hoger beroep indiende.
Opposant diende verzet in tegen deze niet-ontvankelijkheidsverklaring, stellende dat de machtiging niet tijdig kon worden ingediend vanwege psychische klachten van betrokkene. De Raad oordeelde dat opposant tijdig om verlenging had moeten verzoeken en dat het late indienen van de machtiging en gronden niets aan de situatie verandert.
De Raad concludeerde dat opposant niet tijdig heeft gehandeld en dat het verzet ongegrond is. Er waren geen omstandigheden aanwezig om een termijnverlenging toe te staan. De uitspraak van 29 april 2005 blijft daarmee in stand.
Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkheidsverklaring van het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
05/75 WAO
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 vanPro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant, beweerdelijk namens [betrokkene] te [woonplaats] (Turkije),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Opposant heeft beweerdelijk namens [betrokkene] (hierna: betrokkene) bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam op 25 november 2004, kenmerk AWB 03/1618 WAO, tussen betrokkene en geopposeerde gegeven uitspraak.
Bij uitspraak van 29 april 2005 heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft opposant een verzetschrift ingediend, gedateerd 26 mei 2005.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 september 2005, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Bij brief van 7 januari 2005 heeft de Raad opposant verzocht binnen vier weken een schriftelijke machtiging te overleggen. Bij aangetekend schrijven van 7 februari 2005 is opposant nogmaals de gelegenheid geboden de machtiging binnen twee weken na dagtekening van die brief in te dienen. Daarbij is opposant erop gewezen dat bij overschrijding van de gestelde termijn het hoger beroep op naam van de beweerdelijk gemachtigde zal worden gesteld en er rekening mee gehouden moet worden dat het hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
Bij schrijven van 21 februari 2005, per fax verzonden op 23 februari 2005 en derhalve na afloop van de in de brief van 7 februari 2005 gestelde termijn bij de Raad ontvangen, heeft opposant verzocht om de termijn voor het indienen van de machtiging met twee weken te verlengen aangezien betrokkene in Turkije verblijft.
In zijn uitspraak van 29 april 2005 heeft de Raad geoordeeld dat opposant geacht moet worden namens zichzelf hoger beroep te hebben ingesteld. Aangezien opposant geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet overleggen van de machtiging en ten overvloede op het niet indienen van de gronden van het hoger beroep.
Ten gevolge van het door opposant gedane verzet dient de Raad de vraag te beantwoorden of het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
In het verzetschrift is aangevoerd dat opposant de gevraagde gegevens niet binnen de gestelde termijn heeft kunnen indienen in verband met de psychische klachten van betrokkene en dat betrokkene de machtiging pas kon ondertekenen toen zij zich iets beter voelde.
De Raad is van oordeel dat het op de weg van opposant had gelegen zich binnen de gegeven termijn tot de Raad te wenden met een verzoek om verlenging van de gestelde termijn. Het alsnog indienen van de machtiging en de gronden op 29 april 2005 doet aan het voorgaande niets af.
Hetgeen opposant heeft aangevoerd bevat geen grond op basis waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest.
Gezien het vorenstaande dient het verzet met toepassing van artikel 21 vanPro de Beroepswet, in samenhang met het vijfde lid van artikel 8:55 vanPro de Awb ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2005.