ECLI:NL:CRVB:2005:AU5633

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/6161 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7b AKWArt. 8:75 AwbArt. 8:88 AwbArtikel 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek herziening uitspraak kinderbijslag over derde en vierde kwartaal 2000

Verzoeker heeft bij de Centrale Raad van Beroep een verzoek ingediend tot herziening van een eerdere uitspraak waarin de Raad had geoordeeld dat gedaagde terecht de kinderbijslag voor het derde en vierde kwartaal van 2000 had geweigerd. De weigering was gebaseerd op het feit dat het kind niet drie maanden onafgebroken in Nederland verbleef volgens artikel 7b van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).

Verzoeker stelde dat de Raad ten onrechte was uitgegaan van een verkeerde inschrijfdatum van zijn partner in de gemeentelijke basisadministratie, wat volgens hem tot een ander oordeel had moeten leiden. De Raad oordeelde echter dat deze passage geen dragend element van de uitspraak was en dat de vermeende fout geen aanleiding kon geven tot een andere uitspraak.

De Raad verwees naar artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarin de voorwaarden voor herziening zijn gesteld, en concludeerde dat niet aan deze voorwaarden was voldaan. Er was geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid die tot een andere uitspraak had kunnen leiden.

Daarom wees de Centrale Raad van Beroep het verzoek tot herziening af en bevestigde de eerdere uitspraak dat de kinderbijslag terecht was geweigerd over de genoemde kwartalen.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de uitspraak over de weigering van kinderbijslag wordt afgewezen.

Uitspraak

04/6161 AKW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 september 2004, nr. 02/316 AKW.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verzoeker heeft bij brief van 29 oktober 2004, met bijlage, om herziening verzocht van bovenvermelde uitspraak, gegeven in een geding tussen verzoeker en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: gedaagde), naar welke uitspraak hierbij wordt verwezen.
Het verzoek is behandeld ter zitting van de Raad op 16 september 2005, waar verzoeker in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. K.C.M. van Engelenhoven, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Ingevolge artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad op verzoek van een partij worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Al eerder, onder meer in de uitspraak van 3 oktober 1996, gepubliceerd in JB 1996/248, heeft de Raad overwogen dat het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet is gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
In de uitspraak van de Raad waarvan thans om herziening wordt gevraagd, heeft de Raad geconcludeerd dat gedaagde terecht heeft geweigerd aan appellant kinderbijslag toe te kennen voor zijn – door gedaagde op grond van inmiddels gewijzigd beleid als aangehuwd aangemerkte – kind [naam kind] over het derde en vierde kwartaal van 2000, op de grond dat [naam kind] op de peildata van de in geschil zijnde kwartalen, te weten 1 juli en 1 oktober 2000, nog geen drie maanden onafgebroken in Nederland verbleef, als bedoeld in artikel 7b van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
In het verzoek om herziening heeft verzoeker gesteld dat de Raad er in zijn uitspraak ten onrechte op basis van het desbetreffende gedingstuk van is uitgegaan dat zijn partner en moeder van [naam kind], [naam partner], met ingang van 10 augustus 2000 in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Velsen staat ingeschreven. Volgens een als bijlage bij het verzoekschrift gevoegd uittreksel bevolkingsregister van
7 november 2003 staat zijn partner reeds sinds 17 april 2000 in de gemeente Velsen ingeschreven. Verzoeker is van mening dat herstel van deze fout er toe zou kunnen leiden dat hij alsnog recht heeft op kinderbijslag over het derde en vierde kwartaal van 2000.
De Raad stelt vast dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 8:88, eerste lid, onder c, van de Awb. De door verzoeker betwiste passage in de uitspraak van de Raad van 17 september 2004 is immers geen dragend element van die uitspraak. Zoals hierboven is aangegeven, heeft gedaagde de weigering van kinderbijslag ten behoeve van [naam kind] over het derde en vierde kwartaal 2000 gebaseerd op de grond dat niet is voldaan aan de in artikel 7b van de AKW genoemde voorwaarden voor het recht op kinderbijslag. Vermelding van de juiste datum van inschrijving in het bevolkingsregister van de partner van verzoeker had de Raad daarom niet tot een andere uitspraak kunnen leiden.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het verzoek om herziening dient te worden afgewezen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der Kade en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M. Gunter.
BKH