ECLI:NL:CRVB:2005:AU5665
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening bijstandsuitkering wegens verzwegen gezamenlijke huishouding en boeteoplegging
Appellante ontving bijstand als alleenstaande ouder maar verzweeg dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar ex-partner. Gedaagde herzag het recht op bijstand en vorderde onverschuldigde betalingen terug. Tevens werd een boete opgelegd wegens het niet nakomen van de inlichtingenplicht.
De rechtbank vernietigde het besluit tot herziening wegens onvoldoende bewijs voor gezamenlijke huishouding, maar handhaafde de terugvordering omdat appellante niet op het opgegeven adres woonde. De Centrale Raad bevestigt dat appellante niet woonachtig was op het opgegeven adres en dat zij de inlichtingenplicht heeft geschonden.
De Raad oordeelt dat de boete van € 539 te hoog is en verlaagt deze tot € 296,95 conform het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De Raad veroordeelt gedaagde in de proceskosten en bepaalt dat de gemeente het betaalde griffierecht aan appellante vergoedt.
Uitkomst: De boete wordt verlaagd tot € 296,95 en de herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering worden bevestigd.