ECLI:NL:CRVB:2005:AU5922

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/3468 WW + 04/3467 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 WWArt. 27 WWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging korting van 20% op WW- en bovenwettelijke uitkering wegens niet tijdig verlengen inschrijving als werkzoekende

Appellant stelde in hoger beroep dat de korting van 20% op zijn WW-uitkering en de bovenwettelijke uitkering in het kader van de Regeling Bovenwettelijke Werkloosheidsuitkering Academische Ziekenhuizen (RBWAZ) onterecht was opgelegd. De korting werd toegepast omdat appellant van 5 maart 2002 tot en met 28 januari 2003 niet als werkzoekende stond ingeschreven bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) en zijn verplichting tot tijdige verlenging van die inschrijving niet was nagekomen.

De Raad verwijst naar de feiten zoals vastgesteld door de rechtbank Rotterdam en onderschrijft dat appellant redelijkerwijs had moeten weten dat de inschrijving een beperkte geldigheidsduur heeft en dat verlenging zijn eigen verantwoordelijkheid was. De Raad verwerpt het verweer van appellant dat sprake zou zijn van een dubbele korting, omdat dit inherent is aan de geldende regelgeving.

De Raad concludeert dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestiging verdient en dat de korting terecht is toegepast. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd omdat geen gronden daarvoor aanwezig zijn.

De uitspraak is gedaan door mr. H.G. Rottier, in aanwezigheid van griffier M.D.F. de Moor, en uitgesproken in het openbaar op 2 november 2005.

Uitkomst: De korting van 20% op de WW- en bovenwettelijke uitkering is terecht toegepast wegens het niet tijdig verlengen van de inschrijving als werkzoekende.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
04/3468 WW
04/3467 AW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde 1,
en
de Raad van bestuur van het Academisch Ziekenhuis Rotterdam, gedaagde 2.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 mei 2004, nr. AW 03/2026 en WW 03/2028, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagden is een verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 11 oktober 2005, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. S.G. Volbeda, advocaat te Arnhem, en waar gedaagden zich hebben laten vertegenwoordigen door mr. D.R. Abdoelhak, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Voor de feiten verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is weergegeven. Die feiten vormen, gelet op de inhoud van de gedingstukken, ook voor de Raad uitgangspunt bij zijn beoordeling.
Tussen partijen is in hoger beroep in geschil het antwoord op de vraag of gedaagden op goede gronden de aan appellant toegekende WW-uitkering en de zogenoemde bovenwettelijke uitkering in het kader van de Regeling Bovenwettelijke Werkloosheidsuitkering Academische Ziekenhuizen (RBWAZ) bij wijze van maatregel hebben verminderd met 20% op de grond dat appellant met ingang van 5 maart 2002 tot en met 28 januari 2003 niet als werkzoekende heeft ingeschreven gestaan bij het Centrum voor werk en inkomen (CWI) en zijn verplichting om de inschrijving tijdig te verlengen niet is nagekomen.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Gelet op de zich onder de gedingstukken bevindende gegevens, met name het bewijs van inschrijving bij het CWI, is ook de Raad van oordeel dat het appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de inschrijving als werkzoekende een beperkte geldigheidsduur heeft en dat verlenging van die inschrijving de eigen verantwoordelijkheid van appellant is.
Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW is de werknemer verplicht zich als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen te laten registreren en die registratie tijdig te doen verlengen. In artikel 27, derde lid, van de WW is voorgeschreven dat gedaagde de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk weigert indien de werknemer een verplichting, op grond van artikel 26 opgelegd Pro, niet of niet behoorlijk is nagekomen.
Gezien de dwingendrechtelijke formulering van deze bepalingen komt aan de stelling van appellant dat hij er in het geheel geen belang bij had om niet als werkzoekende bij het CWI ingeschreven te staan, geen betekenis toe.
De grief van appellant dat hier sprake zou zijn van een dubbele korting nu hij zowel op zijn WW- als op zijn RBWAZ-uitkering wordt gekort, acht de Raad met de stelling in het verweerschrift dat dit inherent is aan de geldende regelgeving afdoende weerlegd.
Hetgeen in hoger beroep door en namens appellant overigens is aangevoerd, bevat goeddeels een herhaling van wat door de rechtbank op goede gronden is weerlegd, en behoeft derhalve geen bespreking meer.
Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 november 2005.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) M.D.F. de Moor.