ECLI:NL:CRVB:2005:AU5944
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging opschorting en beëindiging bijstandsuitkering wegens niet verschijnen op gesprek
Appellant ontving een bijstandsuitkering en werd door de gemeente Groningen uitgenodigd voor een gesprek over zijn arbeidsmogelijkheden op 26 september 2002. Omdat appellant zonder opgaaf van redenen niet op deze uitnodiging is ingegaan, werd zijn bijstandsuitkering op die datum opgeschort. Hij kreeg nog de mogelijkheid om het verzuim te herstellen door alsnog te verschijnen op 2 oktober 2002, maar ook hieraan gaf hij geen gevolg. Vervolgens werd de bijstandsuitkering beëindigd met terugwerkende kracht vanaf de opschortingsdatum.
Appellant stelde dat hij de brieven niet had ontvangen vanwege problemen met de postbezorging op zijn adres, maar dit werd door de Raad niet aanvaard omdat de brieven naar het juiste adres waren gestuurd en de postbezorging ter plaatse normaal functioneerde. Bovendien had appellant in de bezwaarfase alsnog kennis kunnen nemen van het opschortingsbesluit, maar heeft hij geen bezwaar tegen dat besluit gemaakt, waardoor dit onherroepelijk werd.
De Raad oordeelde dat het besluit tot beëindiging van de bijstand terecht was genomen op grond van artikel 69, vierde lid, van de Algemene bijstandswet. Er waren geen dringende redenen om van beëindiging af te zien. Het hoger beroep van appellant werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de opschorting en beëindiging van de bijstandsuitkering bevestigd.