ECLI:NL:CRVB:2005:AU6142
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van verlaging bijstand als maatregel wegens onverantwoord vermogenbeheer
De zaak betreft een geschil over de verlaging van bijstand aan gedaagde met 10% gedurende 21 maanden, opgelegd als maatregel vanwege onverantwoord snel interen op een ontvangen schade-uitkering. Appellant, het College van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage, had het bezwaar van gedaagde deels gegrond verklaard en de maatregel opgelegd.
De rechtbank had het besluit van 24 januari 2003 met betrekking tot de maatregel als een nieuw primair besluit aangemerkt, waardoor het beroepschrift als bezwaarschrift moest worden behandeld. De Centrale Raad van Beroep vernietigt dit oordeel en stelt dat het besluit op bezwaar het resultaat is van een heroverweging en niet als nieuw primair besluit kan worden beschouwd.
De Raad oordeelt verder dat de maatregel terecht is opgelegd omdat gedaagde blijk gaf van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan door het snelle interen op zijn vermogen. De door gedaagde aangevoerde argumenten over de vermogensberekening worden verworpen. De duur en omvang van de maatregel zijn redelijk en evenredig, en er is geen sprake van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De Raad verklaart het beroep tegen de maatregel ongegrond en vernietigt het deel van de uitspraak van de rechtbank dat het besluit als nieuw primair besluit aanmerkt. Proceskosten worden niet toegekend.
Uitkomst: De bijstand is terecht met 10% verlaagd gedurende 21 maanden als maatregel wegens onverantwoord vermogenbeheer.