ECLI:NL:CRVB:2005:AU6280

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/4038 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 8:75 AwbArt. 3 SchattingsbesluitArt. 4 Schattingsbesluit
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking WAO-uitkering wegens onzorgvuldig medisch onderzoek door niet-arts niet toegestaan

In deze zaak heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) een besluit genomen tot intrekking van de WAO-uitkering van gedaagde wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank Almelo vernietigde dit besluit omdat het medisch onderzoek niet volledig en zorgvuldig was verricht, mede doordat een niet-arts bij het onderzoek was betrokken, hetgeen in strijd is met het Schattingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het UWV stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek uitsluitend door een verzekeringsarts mag worden uitgevoerd. De Raad verwierp de stelling dat een niet-arts onder omstandigheden het onderzoek (deels) zou mogen verrichten.

De Raad bepaalde dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven vanwege de onzorgvuldige medische grondslag. Het UWV moet een nieuw besluit nemen waarbij het bezwaar van gedaagde opnieuw wordt beoordeeld met inachtneming van de uitspraak. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van proceskosten aan gedaagde.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van gedaagde.

Uitspraak

04/4038 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 24 juni 2004,
nummer 03/812 WAO N1 A, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 oktober 2004, waar namens appellant, zoals tevoren was bericht, niemand is verschenen en waar gedaagde is verschenen bij gemachtigde A. Olijve.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 8 augustus 2003, verder: het bestreden besluit, heeft appellant ongegrond verklaard het bezwaar van gedaagde tegen een eerder besluit van 29 januari 2003, waarbij de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering van gedaagde met ingang van 16 maart 2003 wordt ingetrokken, aangezien appellant gedaagde met ingang van die laatste datum voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet acht.
De rechtbank heeft het bestreden besluit niet in stand gelaten. Zij heeft daartoe overwogen dat geen sprake is geweest van een volledig en zorgvuldig medisch onderzoek (artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) en omdat het onderzoek in strijd is met artikel 3 en Pro artikel 4 van Pro het Schattingsbesluit.
In verband daarmee heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak overwegingen gewijd aan de medewerker verzekeringsarts, ook wel medisch medewerker genoemd, die bij het onderzoek door de primair verzekeringsarts betrokken is geweest.
In zijn uitspraak van 29 september 2005, LJnummer: AU3603, in een gelijksoortige zaak, waarbij appellant partij was en van welke uitspraak aan gedaagdes gemachtigde ter terechtzitting een geanonimiseerd afschrift is verstrekt, heeft de Raad, kort gezegd, geoordeeld dat de bewoordingen van artikel 3, tweede en derde lid, van het Schattingsbesluit, bezien op zichzelf als in samenhang met de overige voorschriften van het Schattingsbesluit betreffende het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, geen andere conclusie toelaten dan dat het in het kader van arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen ingevolge de verschillende arbeidsongeschiktheidswetten uit te voeren verzekeringsgeneeskundig onderzoek uitsluitend dient plaats te vinden door een verzekeringsarts.
Voorts heeft de Raad geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn dat de regelgever het ook mogelijk heeft willen maken het verzekeringsgeneeskundige onderzoek, al dan niet vanwege of mede vanwege die verzekeringsarts en al dan niet onder verantwoordelijkheid van die arts, geheel of ten dele door een andere functionaris te doen plaatsvinden. Met name zag de Raad, anders dan de rechtbank, in de tekst van het Schattingsbesluit noch in de toelichting daarop ruimte voor de zienswijze dat onder omstandigheden dat onderzoek ook (ten dele) door een niet-arts zou kunnen worden verricht.
Eenzelfde oordeel moet ook in het onderhavige geding gelden, waarbij de Raad aantekent dat ook in dit geding de rechtbank Almelo een gelijkluidende zienswijze met betrekking tot het onder omstandigheden mogelijk zijn van onderzoek door een niet-arts heeft gegeven, welke zienswijze ook in dit geding door de Raad wordt verworpen.
De Raad komt met de rechtbank tot de slotsom dat het bestreden besluit, gelet op de wijze waarop de medische grondslag daarvan is voorbereid en tot stand gekomen, in strijd is te achten met de artikelen 3 en 4 van het Schattingsbesluit en artikel 3:2 van Pro de Awb en derhalve in rechte geen stand kan houden.
De aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit is vernietigd, komt - zij het met enige wijziging van de gronden waarop deze berust - voor bevestiging in aanmerking.
Appellant zal opnieuw hebben te beslissen op het bezwaar van gedaagde met inachtneming van hetgeen de Raad in zijn uitspraak heeft overwogen. In het kader van het onderzoek dat aan het nieuwe besluit op bezwaar vooraf zal gaan, kan appellant tevens de alsnog in te winnen informatie bij de behandelaars van gedaagde in zijn besluitvorming betrekken. Gedaagdes gemachtigde heeft ter zitting van de Raad erop gewezen dat ten onrechte die informatie niet is ingewonnen.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep, waarbij de Raad opmerkt dat gedaagde kennelijk heeft nagelaten de rechtbank een vergoeding voor verletkosten voor het bijwonen van het geding in eerste aanleg te verzoeken en dat deze kosten, nu gedaagde geen zelfstandig hoger beroep heeft ingesteld, thans niet op de voet van evengenoemd artikel alsnog voor vergoeding in aanmerking kunnen worden gebracht.
De proceskosten in hoger beroep worden begroot op € 180,- voor zes uur verletkosten voor gedaagdes gemachtigde en
€ 28,60 voor reiskosten per openbaar vervoer om de zitting van de Raad bij te wonen, in totaal € 208,60.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat appellant een nieuw besluit neemt op het bezwaar van gedaagde met inachtneming van de uitspraak van de Raad;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot € 208,60, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van € 414,- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 november 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.