ECLI:NL:CRVB:2005:AU6436

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/2144 WSF
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 Wet studiefinanciering 2000Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening toeslag één-oudergezin door Informatie Beheer Groep

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage waarin haar beroep tegen het besluit van 6 januari 2003, waarbij een toeslag voor een één-oudergezin was toegekend, ongegrond werd verklaard.

De Raad behandelde het hoger beroep op 23 september 2005. Appellante herhaalde haar eerdere standpunten zonder nieuwe argumenten te presenteren. De Raad onderschreef de motivering van de rechtbank dat gedaagde op grond van artikel 7.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 bevoegd was het besluit te herzien.

De Raad oordeelde dat appellante wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat de toeslag ten onrechte was toegekend en dat de wijze van herziening niet onredelijk was. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening van de toeslag bevestigd.

Uitspraak

04/2144 WSF
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellante heeft bij brief van 19 april 2004 hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen gegeven uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 maart 2004, reg.nr. AWB 03/239, waarbij haar beroep tegen het door haar bestreden besluit van 6 januari 2003 ongegrond is verklaard.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 september 2005. Aldaar is appellante verschenen in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde Han Oei. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg, werkzaam bij de Informatie Beheer Groep.
II. MOTIVERING
De rechtbank is op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat appellante wist of redelijkerwijze had kunnen weten, dat haar ten onrechte een toeslag voor een één-oudergezin werd toegekend en dat gedaagde bevoegd was het besluit waarbij deze toeslag was toegekend te herzien.
Voorts is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de wijze waarop gedaagde van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt niet onredelijk is.
Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen door haar reeds in beroep is aangevoerd. Nieuwe gezichtspunten zijn niet naar voren gebracht.
De Raad kan zich verenigen met de conclusies en overwegingen van de rechtbank. De rechtbank heeft de grieven van appellante afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom hetgeen appellante heeft aangevoerd niet kan slagen.
Het door de gemachtigde van appellante ter zitting ingenomen standpunt dat het onjuist is dat gedaagde terugkomt op een eerder genomen beslissing miskent dat in artikel 7.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000, gedaagde uitdrukkelijk de bevoegdheid is toegekend om in een situatie als hier in geding een besluit te herzien.
Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. J. Brand als leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C.W. van Huussen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 november 2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) A.C.W. van Huussen.
GdJ