ECLI:NL:CRVB:2005:AU6440
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- Rechtspraak.nl
Weigering kinderbijslag wegens ontbreken gezamenlijk huishouden en onvoldoende onderhoud kinderen
Appellant ontving kinderbijslag voor zijn kinderen die in Marokko bij hun moeder woonden. Na een periode van scheiding en samenwonen met een ander, hertrouwde appellant met zijn ex-echtgenote en startte een procedure tot gezinshereniging. De Sociale verzekeringsbank weigerde kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal van 1998 omdat appellant niet langer een huishouden vormde met zijn gezin en onvoldoende bewijs leverde van financieel onderhoud.
De rechtbank handhaafde dit besluit en appellant ging in hoger beroep. Hij stelde dat hij door het hertrouwen met zijn ex-echtgenote en het langdurige huwelijk met haar aanspraak had op kinderbijslag. Tevens voerde hij aan dat het beleid van de Sociale verzekeringsbank in strijd was met het recht op family life zoals neergelegd in artikel 8 EVRM Pro.
De Raad overwoog dat sprake was van een definitieve breuk in het huishouden vanaf augustus 1997 en dat het hertrouwen op zich niet leidde tot herstel van het gezamenlijke huishouden. Tevens was niet aannemelijk dat appellant intensief contact had onderhouden of zijn kinderen financieel had ondersteund. Het beleid van gedaagde, dat stelt dat alleen sprake is van een gezamenlijk huishouden als de betrokkene ingezetene van het land van herkomst is of daar meer dan drie maanden verblijft, werd bevestigd.
De Raad concludeerde dat appellant niet had aangetoond dat hij zijn kinderen in belangrijke mate had onderhouden en dat hij geen recht had op kinderbijslag over de bestreden periode. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag omdat appellant geen gezamenlijk huishouden vormde en onvoldoende onderhoud heeft bewezen.