ECLI:NL:CRVB:2005:AU6501

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/3089 WVG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbWet voorzieningen gehandicapten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onvoldoende bewijs voor verzending brief bij bezwaarprocedure sociale zekerheid

In deze bestuursrechtelijke zaak staat centraal of een brief van 27 maart 2002, waarin aan gedaagde de gelegenheid werd geboden om de gronden van zijn bezwaar kenbaar te maken, daadwerkelijk is verzonden. Gedaagde had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage, maar het bezwaarschrift bevatte geen gronden. De appellant stelde dat de brief was verzonden op 28 maart 2002, zoals aangetoond door een computeruitdraai van het registratiesysteem.

De rechtbank had geoordeeld dat de enkele datumaanduiding in het geautomatiseerd systeem onvoldoende bewijs was voor daadwerkelijke verzending, mede omdat de brief niet aangetekend was verzonden. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst erop dat verstoringen in de interne post kunnen voorkomen waardoor de brief mogelijk niet is aangeboden aan het postbedrijf.

De Raad oordeelt dat het op de weg van appellant ligt om aannemelijk te maken dat de brief daadwerkelijk is verzonden, hetgeen niet is gelukt. Hierdoor is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en blijft het besluit van 13 mei 2002 in stand. Tevens veroordeelt de Raad appellant in de proceskosten van gedaagde.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar blijft niet-ontvankelijk wegens onvoldoende bewijs van verzending van de brief.

Uitspraak

03/3089 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
’s-Gravenhage van 29 mei 2003, nr. 02/2302 WVG, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. E.A. Breetveld, advocaat te ’s-Gravenhage, een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 11 oktober 2005, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage, en waar gedaagde - met voorafgaande kennisgeving - niet is verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij primair besluit van 12 februari 2002 heeft appellant aan gedaagde op basis van de Wet voorzieningen gehandicapten een tegemoetkoming in de kosten van woningsanering toegekend tot een bedrag van € 597,68.
Bij brief van 21 maart 2002 heeft gedaagde tegen dit besluit bezwaar gemaakt zonder vermelding van de gronden daarvan. Hij heeft in die brief medegedeeld dat hij de gronden van het bezwaar zo spoedig mogelijk aan appellant zal toesturen.
De secretaris van de Commissie Sociale Zekerheid heeft op 27 maart 2002 een brief opgesteld, waarin de ontvangst van het bezwaarschrift wordt bevestigd en waarin aan gedaagde de gelegenheid wordt gegeven binnen 28 dagen na dagtekening van de brief de gronden van het bezwaar alsnog aan appellant kenbaar te maken. Voorts is aangegeven dat indien binnen de genoemde termijn door gedaagde niet wordt gereageerd, het bezwaarschrift onder toepassing van artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk wordt verklaard.
Bij besluit van 13 mei 2002 heeft appellant het bezwaar van gedaagde niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift in strijd met artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb niet de gronden van het bezwaar bevat.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent proceskosten en het griffierecht, het tegen het bestreden besluit van 13 mei 2002 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. De rechtbank heeft - samengevat - geoordeeld dat een in een geautomatiseerd administratiesysteem aangebrachte datumaanduiding op de brief van 27 maart 2002 geen overtuigend bewijs oplevert voor de terpostbezorging van die brief op die - aangeduide - datum. Onder die omstandigheid staat naar het oordeel van de rechtbank niet vast dat gedaagde de gelegenheid heeft gehad om het verzuim te herstellen.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij - onder meer - aangevoerd dat met de overgelegde computeruitdraai van zijn registratiesyteem, waarin als verzenddatum van de brief van 27 maart 2002,
28 maart 2002 is vermeld in voldoende mate aannemelijk is gemaakt dat de brief van
27 maart 2002 op 28 maart 2002 ter post is bezorgd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bepaalt dat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar moet bevatten. In artikel 6:6 van Pro de Awb is bepaald dat indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van Pro de Awb, het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Vast staat dat het bezwaarschrift van gedaagde de gronden van het bezwaar niet bevatte. Appellant stelt dat gedaagde bij brief van 27 maart 2002 de in artikel 6:6 van Pro de Awb bedoelde gelegenheid is geboden het verzuim vóór 28 april 2002 te herstellen. Gedaagde ontkent dat hij deze brief heeft ontvangen.
Vast staat dat appellant de bedoelde brief niet aangetekend of met bericht van ontvangst heeft verzonden.
De Raad is van oordeel dat, nu geen verzending per aangetekende post of met ontvangstbevestiging heeft plaatsgevonden, het op de weg van appellant ligt om aannemelijk te maken dat de onderhavige brief van 27 maart 2002 daadwerkelijk op 28 maart 2002 is verzonden.
Appellant heeft zich daartoe beroepen op een computeruitdraai van het door de gemeente ’s-Gravenhage gehanteerde registratiesysteem (Octopus).
Uit de voorhanden zijnde gedingstukken en de van de zijde van appellant ter zitting van de Raad desgevraagd gegeven toelichting is de Raad gebleken dat de verzenddatum van een brief in het geautomatiseerd systeem als het onderhavige wordt ingevoerd door de concipiënt van de brief, waarna deze wordt geprint en van een envelop wordt voorzien. De brief wordt vervolgens neergelegd in de op de kamer van de concipiënt aanwezige postbak ten behoeve van de afgifte aan de interne post. Na aankomst op de centrale postkamer wordt de uitgaande post vervolgens naar het postkantoor gebracht. Gelet op deze werkwijze kan niet, althans niet in voldoende mate, uitgesloten worden geacht dat er na de invoer van de verzenddatum in het geautomatiseerd systeem een verstoring van de daadwerkelijke aanbieding aan TPG heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld door het zoekraken van de brief in de interne post.
De Raad is dan ook van oordeel dat de enkele vermelding in het onderhavige geautomatiseerd systeem dat de in geding zijnde brief op 28 maart 2002 is verzonden onvoldoende is om aan te nemen dat die brief daadwerkelijk (op die datum) ter verzending aan TPG is aangeboden.
Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde, begroot op € 322,-- in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt appellant tot vergoeding van de proceskosten van gedaagde in hoger beroep ten bedrage van € 322,--, te betalen door de gemeente ’s-Gravenhage;
Bepaalt dat van de gemeente ’s-Gravenhage een griffierecht van € 414,-- wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.I. ’t Hooft, als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever- van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 november 2005.
(get.) M.I. ’t Hooft.
(get.) B.M. Biever- van Leeuwen.
TG04112005