ECLI:NL:CRVB:2005:AU6501
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. ’t Hooft
- R.M. van Male
- G.M.T. Berkel-Kikkert
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende bewijs voor verzending brief bij bezwaarprocedure sociale zekerheid
In deze bestuursrechtelijke zaak staat centraal of een brief van 27 maart 2002, waarin aan gedaagde de gelegenheid werd geboden om de gronden van zijn bezwaar kenbaar te maken, daadwerkelijk is verzonden. Gedaagde had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage, maar het bezwaarschrift bevatte geen gronden. De appellant stelde dat de brief was verzonden op 28 maart 2002, zoals aangetoond door een computeruitdraai van het registratiesysteem.
De rechtbank had geoordeeld dat de enkele datumaanduiding in het geautomatiseerd systeem onvoldoende bewijs was voor daadwerkelijke verzending, mede omdat de brief niet aangetekend was verzonden. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst erop dat verstoringen in de interne post kunnen voorkomen waardoor de brief mogelijk niet is aangeboden aan het postbedrijf.
De Raad oordeelt dat het op de weg van appellant ligt om aannemelijk te maken dat de brief daadwerkelijk is verzonden, hetgeen niet is gelukt. Hierdoor is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en blijft het besluit van 13 mei 2002 in stand. Tevens veroordeelt de Raad appellant in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar blijft niet-ontvankelijk wegens onvoldoende bewijs van verzending van de brief.