ECLI:NL:CRVB:2005:AU6609
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling productieve arbeid en bijstandsverlening bij werkzaamheden voor derden
Appellant ontvangt sinds 1990 bijstand en verricht sinds enkele jaren werkzaamheden voor een bedrijf, waarvoor hij een vergoeding in natura ontvangt. De Sociale Recherche stelde vast dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde en niet had gemeld dat hij werkte voor een derde partij.
Gedaagde schortte de bijstand op en kwalificeerde de werkzaamheden als productieve arbeid, waarmee rekening moet worden gehouden bij de bijstandsverlening. Appellant voerde aan dat gedaagde op de hoogte was van zijn werkzaamheden en dat hij op het vertrouwensbeginsel mocht vertrouwen.
De Raad oordeelt dat de opschorting terecht was vanwege een gegrond vermoeden dat het recht op bijstand niet of lager bestond. De werkzaamheden zijn onmiskenbaar arbeid waarvoor een vergoeding kan worden bedongen. Het vertrouwensbeginsel faalt omdat appellant tekort is geschoten in zijn inlichtingenplicht. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De bijstand werd terecht opgeschort en de werkzaamheden van appellant werden terecht als productieve arbeid aangemerkt.