ECLI:NL:CRVB:2005:AU6883

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
05-6048 AW-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 lid 3 AwbArt. 18 BeroepswetArt. 21 BeroepswetArt. 22 lid 4 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verzoek voorlopige voorziening wegens niet tijdig betalen griffierecht

Gedeputeerde Staten van de Provincie Zuid-Holland hebben op 6 oktober 2005 een verzoek ingediend om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet. Dit verzoek betrof een voorlopige voorziening in het kader van een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 augustus 2005.

De voorzieningenrechter wees verzoekers bij brief van 19 oktober 2005 op de verplichting tot betaling van griffierecht van €414,00 binnen twee weken. Deze betaling werd niet voldaan. Bij aangetekende brief van 3 november 2005 werd verzoekers nogmaals gewezen op de verschuldigdheid en een nieuwe termijn van één week gesteld, met de waarschuwing dat niet-betaling zou leiden tot niet-ontvankelijkverklaring.

Omdat het griffierecht ook binnen deze tweede termijn niet werd betaald, verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb. Een veroordeling in proceskosten werd niet opgelegd.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig betalen van griffierecht.

Uitspraak

05/6048 AW-VV
U I T S P R A A K
van
DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet in het geding tussen:
Gedeputeerde Staten van de Provincie Zuid-Holland, verzoekers,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. INLEIDING
Bij schrijven van 6 oktober 2005 hebben verzoekers hoger beroep ingesteld tegen de op 26 augustus 2005,
reg.nr. AWB 04/820 AW, tussen partijen gewezen uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage.
Bij een separaat schrijven van 6 oktober 2005 is verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van Pro de Awb.
II. MOTIVERING
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en Pro artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
In het eerste lid van artikel 23 van Pro de Beroepswet is bepaald dat door de griffier een griffierecht wordt geheven. Artikel 22, vierde lid, van de Beroepswet is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden twee weken bedraagt.
Bij schrijven van 19 oktober 2005 zijn verzoekers erop gewezen dat zij ter zake van het ingediende verzoek een griffierecht van € 414,00 zijn verschuldigd, welk bedrag binnen twee weken na dagtekening van die brief diende te zijn voldaan. Het verschuldigde bedrag is binnen die termijn niet ontvangen.
Bij aangetekende brief van 3 november 2005 zijn verzoekers nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is hen meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen één week na dagtekening diende te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel per kas diende te zijn gestort. Daarbij zijn verzoekers erop gewezen dat overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om voorlopige voorziening.
Ook binnen voornoemde termijn is het griffierecht niet voldaan.
Bovenstaande leidt ertoe dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet-ontvankelijk moet worden verklaard onder toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,
Verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. A. Beuker-Tilstra in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 21 november 2005.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) P. van der Wal.