ECLI:NL:CRVB:2005:AU6992
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding met ex-echtgenoot
Appellante ontving vanaf 22 september 1996 een bijstandsuitkering als alleenstaande. Naar aanleiding van een anonieme melding dat zij samenwoonde met haar ex-echtgenoot, [betrokkene], voerde de gemeente Venlo een onderzoek uit. Dit onderzoek omvatte dossieronderzoek, huisbezoek, verklaringen van buurtbewoners en betrokkenen, en leidde tot het besluit de bijstand vanaf 1 december 1996 in te trekken en de kosten van bijstand over de periode 1 juli 1997 tot 1 december 2002 terug te vorderen.
Appellante voerde in bezwaar en beroep aan dat zij pas vanaf begin 2003 samenwoonde met haar ex-echtgenoot. De Raad oordeelt echter dat op grond van de feiten en verklaringen, waaronder die van buurtbewoners en de werkgever van [betrokkene], aannemelijk is dat zij vanaf 1996 een gezamenlijke huishouding voerden. Hierdoor was appellante niet langer zelfstandig bijstandsontvanger en had zij geen recht meer op bijstand volgens de norm voor een alleenstaande.
De Raad stelt vast dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door de gezamenlijke huishouding niet te melden. De intrekking van de bijstand en de terugvordering zijn terecht en conform de bepalingen van de Algemene bijstandswet. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank Roermond bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van de bijstandsuitkering bevestigd.