ECLI:NL:CRVB:2005:AU7011
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en boete wegens niet opgegeven verblijf in België
Appellant ontving bijstand vanaf 1 februari 2002, maar het College van burgemeester en wethouders van Huizen herzag het recht op bijstand en trok dit in over de periode van 1 maart tot en met 31 augustus 2002. Tevens werd een boete opgelegd wegens het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat appellant zijn hoofdverblijf niet had op het opgegeven adres in Nederland, maar in Oostende, België. Dit bleek uit een onderzoeksrapport van de Sociale Recherche en verklaringen van de moeder van appellant en de Belgische politie. Appellant had nagelaten dit tijdig te melden, waardoor ten onrechte bijstand werd verleend.
De Raad oordeelde dat het territorialiteitsbeginsel van de Algemene bijstandswet (Abw) toepassing vindt en dat de intrekking van de bijstand en de boete terecht zijn opgelegd. Er waren geen dringende redenen om van intrekking of boete af te zien. De proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De intrekking van bijstand en oplegging van boete worden bevestigd wegens niet opgegeven verblijf in België.