ECLI:NL:CRVB:2005:AU7018
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding volgens Algemene nabestaandenwet
Appellant ontving sinds 1998 een nabestaandenuitkering en een halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Na een onderzoek naar aanleiding van een signaal van de belastingdienst stelde de Sociale verzekeringsbank vast dat appellant en betrokkene een gezamenlijke huishouding voerden. Op basis hiervan werd de nabestaandenuitkering met ingang van 1 oktober 1999 ingetrokken.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding en dat de procedure niet neutraal was vanwege de aanwezigheid van een medewerker die ook een huisbezoek had afgelegd. De Raad oordeelde dat de hoorzitting volgens de Algemene wet bestuursrecht correct was verlopen en dat er geen sprake was van vooringenomenheid.
De Raad stelde vast dat betrokkene haar hoofdverblijf had in de woning van appellant en dat sprake was van gezamenlijke verzorging en financiële verstrengeling die verder ging dan alleen het delen van woonlasten. Het huurcontract en andere bewijsstukken ondersteunden dit oordeel. De intrekking van de uitkering was daarmee terecht en niet in strijd met het vertrouwensbeginsel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het besluit van de rechtbank en zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de nabestaandenuitkering wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.