ECLI:NL:CRVB:2005:AU7655
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juiste vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid in WAO-uitkering
Appellante, werkzaam als helpende A, viel uit wegens rechterelleboogklachten en onderging later een galblaasoperatie. Na een initiële toekenning van een WAO-uitkering van 80-100% werd deze verlaagd naar 15-25%. Na bezwaar en herbeoordeling stelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de arbeidsongeschiktheid vast op 25-35% met ingang van 29 mei 2001.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij meer beperkingen heeft dan door het Uwv aangenomen, maar bracht geen aanvullende medische rapporten in. De Raad baseerde zich op medische onderzoeken van verzekeringsartsen, die rekening hielden met hand-, schouderklachten, lumbago en gehoorverlies. De arbeidsdeskundige selecteerde passende functies met een verdiencapaciteit van 25,12%.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit op een juiste medische en arbeidskundige grondslag berust en dat de WAO-uitkering terecht is vastgesteld. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAO-uitkering terecht is vastgesteld op basis van een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.