ECLI:NL:CRVB:2005:AU7746
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens gebrek aan belang bij WAO-uitkeringsgeschil
Appellant ontving een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 65 tot 80% en een maatmanloon vastgesteld op €34,39 per uur. Na correcties door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) werd het percentage verlaagd en het maatmanloon aangepast. Appellant maakte bezwaar en uiteindelijk stelde het UWV het maatmanloon bij tot €39,99 per uur, waarmee appellant instemde.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Appellant ging in hoger beroep tegen de vaststelling van het maatmanloon. Tijdens het hoger beroep werd duidelijk dat partijen het eens waren over de hoogte van het maatmanloon. De Raad stelde vast dat het belang bij handhaving van het hoger beroep niet uitsluitend kan liggen in het verkrijgen van vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Omdat appellant geen verzoek tot toepassing van artikel 8:73 Awb Pro had gedaan, oordeelde de Raad dat het hoger beroep wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk is. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant en het gestorte griffierecht. Het hoger beroep werd derhalve afgewezen zonder inhoudelijke behandeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang; het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.