Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2005:AU7793

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 november 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/4386 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 WWArt. 27a WWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering WW-uitkering wegens verblijf in buitenland

Appellant ontving van augustus 1996 tot november 2001 een WW-uitkering. Na een controlebezoek in december 2001 bleek dat appellant niet op het opgegeven Nederlandse adres verbleef, maar in Frankrijk woonde. Gedaagde stelde een onderzoek in en concludeerde dat appellant vanaf 1 november 1999 in het buitenland verbleef anders dan wegens vakantie.

Hierop werd de WW-uitkering herzien en teruggevorderd voor de periode vanaf die datum. Tevens werd een boete opgelegd wegens het niet nakomen van de mededelingsplicht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de terugvordering en boete terecht waren opgelegd.

In hoger beroep herhaalde appellant grotendeels zijn eerdere stellingen, maar de Raad overwoog dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij na 1 november 1999 in Nederland verbleef. Er waren geen concrete aanwijzingen voor een langdurig verblijf in Nederland, terwijl diverse verklaringen wezen op een langdurig verblijf in Frankrijk.

De Raad bevestigde daarom het vonnis van de rechtbank, inclusief de herziening, terugvordering en boete. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend. De uitspraak werd gedaan op 30 november 2005.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening, terugvordering en boete wegens verblijf in het buitenland anders dan wegens vakantie.

Uitspraak

04/4386 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Frankrijk), appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. A. Paternotte, advocaat te Hoofddorp, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar onder nummer WW 03/845, op 2 juli 2004 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 19 oktober 2005, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Paternotte voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J. Knufman, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat dit geding wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Appellant ontving van 20 augustus 1996 tot en met 18 november 2001 een WW-uitkering. Toen door een medewerker van het Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen op 3 december 2001 een bezoek werd gebracht aan het door appellant opgegeven adres in [plaatsnaam], deelde de bewoonster van dat adres mede dat appellant in Frankrijk verbleef en dat dit adres te [plaatsnaam] een postadres betrof. Naar aanleiding daarvan heeft gedaagde een onderzoek verricht waarbij onder meer appellant is gehoord. De bevindingen uit dat onderzoek zijn neergelegd in een Rapport Uitkeringsfraude van 29 oktober 2002. Op basis van die bevindingen heeft gedaagde bij besluit van 26 november 2002 de WW-uitkering van appellant per 1 november 1999 tot aan de beëindiging van de WW-uitkering herzien onder de overweging dat appellant vanaf die datum in het buitenland verbleef, anders dan wegens vakantie. Bij besluit van 6 december 2002 heeft gedaagde de WW-uitkering teruggevorderd die na 1 november 1999 is betaald. Bij besluit van 3 februari 2003 heeft gedaagde, nadat eerder het voornemen daartoe kenbaar was gemaakt, appellant een boete van € 2.269,-- opgelegd wegens het overtreden van de mededelingsverplichting uit artikel 25 van Pro de WW.
De tegen deze drie besluiten gemaakte bezwaren heeft gedaagde bij het thans bestreden besluit van 28 mei 2003 ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft dat beroep ongegrond verklaard en daarbij onder meer overwogen dat, nu appellant niet in staat is gebleken om de periodes van verblijf in Nederland dan wel Frankrijk in voldoende mate aannemelijk te maken, gedaagde op grond van de beschikbare gegevens in redelijkheid ervan uit kon gaan dat appellant reeds vanaf 1 november 1999 voortdurend verblijf in Frankrijk heeft gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank is aan appellant over die periode € 42.080,62 onverschuldigde WW-uitkering betaald en heeft gedaagde dit bedrag terecht teruggevorderd. De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat gedaagde, gelet op artikel 27a van de WW en hetgeen appellant ten onrechte aan WW-uitkering heeft ontvangen, gehouden was een boete van € 2.269,-- op te leggen.
De stellingen van appellant in hoger beroep zijn grotendeels een herhaling van hetgeen reeds eerder door appellant is aangevoerd.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld en overwogen. De Raad voegt daar nog aan toe dat mede gelet op hetgeen ter zitting van de Raad is behandeld, ook de Raad van oordeel is dat appellant niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij na 1 november 1999 in Nederland verbleef nu er, afgezien van de door gedaagde opgegeven adressen, geen enkel concreet gegeven is dat wijst op een daadwerkelijk langdurig verblijf hier te lande terwijl er, zoals door gedaagde aangegeven, diverse aanwijzingen en verklaringen zijn die er op duiden dat appellant langdurig en anders dan bij wijze van vakantie in Frankrijk verbleef.
Nu de stellingen in het hoger beroep in grote lijnen een herhaling vormen van hetgeen reeds eerder door appellant is aangevoerd en deze stellingen terecht door de rechtbank zijn verworpen, volstaat de Raad er mee te verwijzen naar het oordeel van de rechtbank.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
Beslist dient derhalve te worden als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr. C.G.M. van Rijnberk als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 november 2005.
(get.) T. Hoogenboom.
L. Karssenberg.