ECLI:NL:CRVB:2005:AU7804
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding zonder hulpbehoevendheid
Appellante ontving een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw), die door de Sociale verzekeringsbank werd ingetrokken per 1 mei 1998 vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met [getuige 4]. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en ook in hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit besluit.
De Raad baseert zich op objectieve criteria voor het vaststellen van een gezamenlijke huishouding, waarbij het hoofdverblijf en de wederzijdse verzorging centraal staan. Uit het dossier en de verklaringen blijkt dat appellante en [getuige 4] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde sta-caravan en dat er sprake was van wederzijdse verzorging zonder financiële vergoeding, waaronder het delen van huishoudelijke taken en gebruik van elkaars voorzieningen.
De Raad verwerpt het verweer van appellante dat zij evenveel tijd elders doorbracht en dat het onderzoek onvolledig was. Ook de vrijspraak in een strafrechtelijke procedure over valsheid in geschrifte doet niet af aan de bestuursrechtelijke beoordeling. Er zijn geen dringende redenen gevonden om van intrekking af te zien. De intrekking van de uitkering wordt dan ook bevestigd en de proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: De intrekking van de nabestaandenuitkering per 1 mei 1998 wordt bevestigd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse verzorging anders dan ten behoeve van een hulpbehoevende.