ECLI:NL:CRVB:2005:AU8110

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/5602 NIOAW + 04/3577 NIOAW + 05/3504 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om wraking voorzitter kamer Centrale Raad van Beroep

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen uitspraken van de rechtbank Zutphen en vervolgens een verzoek tot wraking ingediend tegen mr. C. van Viegen, voorzitter van de behandelende kamer bij de Centrale Raad van Beroep. Dit verzoek was gebaseerd op vermeende schendingen van de rechterlijke onpartijdigheid.

De Raad heeft verzoeker en mr. Van Viegen in de gelegenheid gesteld te worden gehoord, maar beiden zijn niet verschenen. De Raad overweegt dat wraking alleen kan worden toegewezen indien feiten of omstandigheden worden aangetoond die de onpartijdigheid van de individuele rechter in het geding aantasten.

De aangevoerde gronden betroffen niet de persoon van de rechter maar de rechterlijke macht in het algemeen, hetgeen niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Daarom wijst de Raad het wrakingsverzoek af en bevestigt daarmee het belang van onpartijdigheid en het voorkomen van schijn van partijdigheid in bestuursrechtelijke procedures.

Uitkomst: Het verzoek om wraking van de voorzitter van de kamer wordt afgewezen wegens gebrek aan feiten die rechterlijke onpartijdigheid aantonen.

Uitspraak

03/5602 NIOAW + 04/3577 NIOAW + 05/3504 NABW
B E S L I S S I N G
op het verzoek op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, gedaan door:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Zutphen van 2 oktober 2003, reg.nr. 03/198 NABW en 18 april 2005, reg.nr. 02/441 NABW.
Bij op 22 november 2005 bij de Raad ingekomen brieven van 16 november 2005, 17 november 2005 en 18 november 2005 heeft verzoeker verzocht om wraking van mr. C. van Viegen, voorzitter van de behandelende kamer.
Verzoeker en mr. Van Viegen zijn ingevolge artikel 8:18, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van de Raad van 5 december 2005. Verzoeker en mr. Van Viegen zijn niet ter zitting verschenen.
II. MOTIVERING
In artikel 8:15 van Pro de Awb is bepaald dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Blijkens de Memorie van Toelichting bij artikel 8:15 van Pro de Awb is de ratio van het instituut van wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid en tegen de schijn van de rechterlijke partijdigheid.
De Raad stelt voorop dat een wrakingsgrond gelegen dient te zijn in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de (persoon van de) rechter die de zaak behandelt; het wrakingsverzoek dient het betrokken lid of de betrokken leden van het rechterlijk college te betreffen, niet het rechterlijk college als zodanig.
De Raad is van oordeel dat in hetgeen door verzoeker is aangevoerd ten aanzien van mr. Van Viegen niet gebleken is van enig feit of van enige omstandigheid waaruit de gevolgtrekking gemaakt zou behoren te worden dat de behandeling van de zaken van verzoeker door hem niet kan plaatsvinden zonder dat daarbij gesproken zou kunnen worden van inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid of van de aanwezigheid van schijn van rechterlijke partijdigheid in de hierboven door de Raad aangegeven zin.
Voorts is de Raad van oordeel dat hetgeen verzoeker overigens heeft aangevoerd niet gericht is tegen de persoon van de rechter die zijn zaken behandelt, doch tegen de rechterlijke macht in het algemeen en in het bijzonder tegen de Raad als zodanig. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, onder meer in een uitspraak in een eerder door verzoeker ingestelde wrakingszaak (LJN AS8815), waarnaar hij kortheidshalve verwijst, is een verzoek om wraking van een rechterlijk college als zodanig geen wrakingsverzoek waarop artikel 8:15 van Pro de Awb ziet.
De Raad beslist derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Wijst het verzoek om wraking af.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 december 2005.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) P.E. Broekman.