ECLI:NL:CRVB:2005:AU8239
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WAO-uitkering en medische beperkingen bij appellant met depressieve klachten en chronische aandoeningen
Appellant stelde in hoger beroep dat de UWV onvoldoende rekening had gehouden met zijn medische beperkingen, waaronder ernstige depressieve klachten, ziekte van Crohn, Pfeiffer, astma en gewrichtspijnen, op de data 14 oktober 1999 en 23 april 2001. Ter onderbouwing overlegde hij verklaringen van zijn psychiater en medicatieoverzichten.
De Raad overwoog dat de bezwaarverzekeringsartsen hun oordeel baseerden op uitgebreide medische informatie, inclusief gegevens uit de behandelende sector. De Raad vond geen aanwijzingen dat appellant meer beperkingen had dan aangenomen in het belastbaarheidspatroon van 6 mei 1998.
De verklaringen van de psychiater betroffen een periode na september 2003 en konden daarom niet leiden tot een ander oordeel over de situatie op de relevante data. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
De Raad zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigde de besluiten van het UWV inzake de mate van arbeidsongeschiktheid en het beëindigen van het recht op ziekengeld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.