ECLI:NL:CRVB:2005:AU8261
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op WW-uitkering wegens verlies werknemerhoedanigheid tijdens praktijkperiode
De zaak betreft een geschil over de beëindiging van het recht op WW-uitkering van gedaagde, waarbij appellant het recht op uitkering herzag en onverschuldigd betaalde bedragen terugvorderde. Appellant stelde dat gedaagde over de relevante uren zijn hoedanigheid als werknemer had verloren, waardoor het recht op WW-uitkering was geëindigd.
De rechtbank Middelburg vernietigde het bestreden besluit omdat de werkzaamheden die gedaagde verrichtte niet konden worden beschouwd als arbeid in het economisch verkeer, noch met het oog op geldelijk voordeel. De Raad volgt dit oordeel en benadrukt dat de werkzaamheden uitsluitend dienden om vast te stellen of gedaagde tot de doelgroep van de Wet sociale werkvoorziening behoorde, zonder dat beloning redelijkerwijs kon worden verwacht.
Appellant kon geen motivering geven voor het standpunt dat het recht op uitkering was geëindigd. De Raad concludeert dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst en dat de werkzaamheden niet als werknemer zijn verricht. Het bestreden besluit wordt derhalve bevestigd en appellant wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: Het recht op WW-uitkering is niet terecht beëindigd; het bestreden besluit wordt vernietigd.