ECLI:NL:CRVB:2005:AU8263

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/4443 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing WW-uitkering wegens verblijf in het buitenland anders dan vakantie

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem waarin werd geoordeeld dat hij geen recht had op een WW-uitkering wegens verblijf in het buitenland anders dan vakantie. De Raad toetst dit aan de Werkloosheidswet zoals die ten tijde van de feiten gold.

De Raad concludeert, net als de rechtbank, dat appellant gedurende de relevante perioden in Polen verbleef zonder dat dit als vakantie kan worden aangemerkt. De door appellant aangevoerde feiten en verklaringen geven geen eenduidig beeld van vakantieverblijf. Ook de aanvullende argumenten in hoger beroep leiden niet tot een ander oordeel.

De Raad bevestigt daarmee het bestreden besluit en wijst een proceskostenveroordeling af. De uitspraak is gedaan door een kamer van drie rechters en griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 december 2005.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op WW-uitkering wegens verblijf in het buitenland anders dan vakantie.

Uitspraak

04/4443 WW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem op 21 juni 2004 gewezen uitspraak, reg.nr. AWB 03/2898, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 26 oktober 2005, waar appellant in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.A.M. Anedda, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Voor de feiten verwijst de Raad naar hetgeen daaromtrent door de rechtbank in de aangevallen uitspraak is weergegeven. Die feiten vormen, gelet op de inhoud van de gedingstukken, ook voor de Raad uitgangspunt bij zijn beoordeling.
Het gaat in dit geding om de vraag of gedaagde bij het op bezwaar gegeven besluit van 18 november 2003 (het bestreden besluit) op goede gronden heeft besloten dat appellant gedurende de zomer- (meestal eind juli – begin augustus 2 weken) en kerstvakantie (met oud en nieuw samen 10 dagen) in de perioden van 9 augustus 1999 tot en met 2 januari 2000, 7 augustus 2000 tot en met 22 april 2001 en 1 oktober 2001 tot en met 14 april 2002 geen recht heeft op een WW-uitkering vanwege verblijf in het buitenland anders dan wegens vakantie als bedoeld in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder k, van de WW.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. In de zich onder de gedingstukken bevindende gegevens ziet ook de Raad onvoldoende grondslag voor het oordeel dat appellant in voormelde perioden in Polen verbleef in verband met het genieten van vakantie. De feitelijke omstandigheden die appellant na de door hem ingevulde werkbriefjes op verzoek van gedaagde en spontaan hierover naar voren heeft gebracht, geven naar het oordeel van de Raad slechts een vaag en niet eenduidig beeld over het doel van het verblijf in Polen. De Raad ziet hierin, noch in hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht aanknopingspunten om het verblijf van appellant in Polen gedurende de perioden van belang als vakantie aan te merken.
Hetgeen appellant overigens nog in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad evenmin tot een ander oordeel kunnen leiden.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. M.A. Hoogeveen als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 december 2005.
(get.) M.A. Hoogeveen.
(get.) L. Karssenberg.
RW2911