ECLI:NL:CRVB:2005:AU8326
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep bevestigt niet-verwijtbare werkloosheid bij ontslag wegens verhuizing na bevalling
De zaak betreft een geschil over de blijvende volledige weigering van een WW-uitkering aan een werkneemster die ontslag nam vanwege de afstand tussen haar nieuwe woonplaats Urmond en haar werkplek in Arnhem. De werkneemster was zwanger, verhuisde na haar zwangerschapsverlof naar Urmond om samen met haar partner hun kind op te voeden, en kon haar werkzaamheden niet voortzetten vanwege de grote reisafstand.
De appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, had de WW-uitkering geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid, stellende dat de werkneemster bewust het risico had genomen werkloos te worden door haar privékeuze. De rechtbank had het bezwaar gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het oordeel van de rechtbank. De Raad stelt dat het belang van de werkneemster om haar kind gezamenlijk met haar partner op te voeden een reëel en relevant belang is dat bij de beoordeling van verwijtbaarheid in aanmerking moet worden genomen. De Raad acht de omstandigheden waaronder het ontslag is genomen zodanig dat niet van de werkneemster kan worden verlangd haar dienstverband voort te zetten.
De Raad wijst erop dat de werkneemster haar werkzaamheden tot aan het zwangerschapsverlof heeft voortgezet, dat zij tevergeefs heeft geprobeerd ander werk te vinden en dat de afstand tussen woon- en werkplaats redelijkerwijs niet van haar kon worden gevergd. Het bestreden besluit wordt vernietigd en het Uitvoeringsinstituut wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WW-uitkering niet terecht is geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid en vernietigt het bestreden besluit.