ECLI:NL:CRVB:2005:AU8340
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juistheid vaststelling gemiddeld aantal arbeidsuren voor WW-uitkering
Appellante was werkzaam bij UWV GAK en vroeg na haar werkloosheid een WW-uitkering aan. Het geschil betrof de vaststelling van het gemiddeld aantal arbeidsuren per week waarop de uitkering werd gebaseerd. De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard en het gemiddeld aantal uren vastgesteld op 33,6 uur per week, gebaseerd op een voltijdse werkweek van 38 uur en een contract van 80% arbeidsduur.
Appellante voerde aan dat zij vanaf 1 augustus 2002 feitelijk 32 uur per week werkte en dat haar ATV- en vakantiedagen naar rato waren herberekend. Zij stelde dat het UWV en de rechtbank onterecht uitgingen van een 30,4-urige werkweek bij een contract van 80%. De Raad oordeelde dat er geen ongerechtvaardigd onderscheid bestaat tussen fulltimers en parttimers en dat de vaststelling van het gemiddeld aantal arbeidsuren op 33,62 uur juist is, mede gelet op loonstroken, werkgeversverklaringen en de gebruikelijke praktijk rond ATV/ADV-uren.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en zag geen reden om af te wijken van het bestreden besluit. Hoewel appellante de wens had om 32 uur te werken, was het contract en de feitelijke loonbetaling gebaseerd op een 30,4-urige werkweek, hetgeen haar duidelijk had kunnen zijn. De uitkering werd dan ook terecht vastgesteld op basis van 33,62 uur gemiddeld per week.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het gemiddeld aantal arbeidsuren per week voor de WW-uitkering terecht is vastgesteld op 33,62 uur.