ECLI:NL:CRVB:2005:AU8611
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WAO-uitkeringsbesluit ondanks betwisting medische grondslag arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als schoonmaker, ontving sinds 1997 een WAO-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Na een dienstverband bij een ander schoonmaakbedrijf en medische klachten, besloot het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in 2001 de uitkering toe te kennen vanaf 21 februari 2000 op basis van dezelfde mate van arbeidsongeschiktheid.
Appellant stelde bezwaar en ging in hoger beroep tegen deze beslissing, stellende dat hij volledig arbeidsongeschikt was, onderbouwd met verklaringen van psychiaters. De medische onderzoeken door verzekeringsartsen en de Raad concludeerden echter dat er geen aanwijzingen waren voor een wezenlijk verminderde psychische belastbaarheid rond de relevante datum.
De Raad overwoog dat de medische grondslag van het besluit juist was en dat de latere crisis in 2001 geen reden gaf tot aanpassing van het besluit per 2000. Het beroep op artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht werd niet gegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot toekenning van een WAO-uitkering van 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid.